U bent hier: Home › Senioren › Schaaktafel › Nomenclatuur

Naamgeving van schaakverenigingen in Nederland

– door Dirk Goes –

Al surfend door de website van de KNSB raak ik telkens weer gefascineerd  door het lijstje namen van schaakverenigingen waaruit de KNSB bestaat. Wat mij  vooral interesseert is de vraag hoe een schaakvereniging aan zijn naam komt,  en, nog boeiender natuurlijk, of daar een mooi verhaal achter schuil gaat.

De KNSB bestaat uit 534 reguliere verenigingen, verdeeld over 13 regionale  bonden, in de volksmond ook wel ‘onderbon­den’ genoemd. Onderverdeeld als volgt, met als vergelijkende cijfers een inventarisatie die ik vier jaar  geleden al eens uitvoerde:

 20092005
   
FSB  (Friese  Schaakbond)3333
NOSBO (Noordelijke  Schaakbond)2932
SBO  (Schaakbond  Overijssel)3331
OSBO (Oostelijke  Schaakbond)7577
SGS  (Stichts  Gooise Schaakbond)5853
SGA  (Schaakbond  Groot-Amsterdam)3135
NHSB (Noord-Hollandse  Schaakbond)5960
LeiSB (Leidse  Schaakbond)2524
HSB  (Haagse  Schaakbond)2628
RSB  (Rotterdamse  Schaakbond)4449
ZSB  (Zeeuwse  Schaakbond)1313
NBSB (Noord-Brabantse  Schaakbond)7576
LISB  (Limburgse  Schaakbond)3337
   
Totaal534548

Grosso modo kunnen de namen van de huidige verenigingen als volgt worden ingedeeld:

      
  • Verenigingen die zijn genoemd naar de plaats van vestiging.
  •   
  • Verenigingen die zijn genoemd naar een persoon.
  •   
  • Verenigingen die zijn genoemd naar schaakstukken.
  •   
  • Verenigingen die zijn genoemd naar schaaktermen.
  •   
  • Verenigingen die zijn genoemd naar mythologische figuren.
  •   
  • Verenigingen die zijn genoemd naar de oorsprong van het schaakspel.
  •   
  • Verenigingen met Latijnse namen.
  •   
  • Woordspelingen.
  •   
  • Overige.

Verenigingen die zijn genoemd naar de plaats van vestiging

Bij het nalezen van deze namen krijg je sterk de indruk dat de oprichters  het zich op dit gebied niet al te moeilijk hebben gemaakt. Het vernoemen van je  schaakclub naar de plaats van vestiging is natuurlijk volstrekt fantasieloos,  maar wel zo gemakkelijk. Om er dan toch nog wat van te maken wordt de clubnaam vaak  nog wel voorafgegaan door de letters SC (‘Schaakclub’), SV (‘Schaakvereniging’)  of SG (‘Schaak Genootschap’), zoals daar zijn ‘SC Heerenveen’ uit,  inderdaad, ‘S.V. Almelo’ uit, u raadt het al, en ‘SG Amersfoort’ uit,  ik bedoel maar …. Tevens zult u begrijpen dat ik warme gevoelens koester voor  de ‘S.V. Goes’ uit Goes …. In totaal zijn maar liefst 198 verenigingen  (37%) genoemd naar de plaats van vestiging.

Verenigingen die zijn genoemd naar een persoon

Het zal niemand verbazen dat de meeste verenigingen in deze categorie zijn  vernoemd naar een schaker. Zo zijn er liefst drie Laskers (uit respectievelijk  Sint Jacobiparochie, Utrecht en Uitgeest).

Emanuel Lasker

Emanuel Lasker (niet te verwarren  met zijn verre familielid Edward Lasker, die eveneens een sterk schaker was)  werd geboren op 24 december 1868 in het Pruisische Berlinchen. Reeds  op 11-jarige leeftijd werd hij door zijn vader naar Berlijn gestuurd om  wiskunde en filosofie te stude­ren. In match- en toernooischaak was hij  uitermate succesvol. In het toernooi van New York 1893 won hij al zijn 13 par­tijen!  In 1894 versloeg hij de regerend wereldkampioen, Wilhelm Steinitz, in een match  om het wereldkampioenschap. Daarna verdedigde hij zijn wereldtitel succesvol in matches tegen Marshall, Tarrasch, Janowski en Schlechter, om hem pas in 1921 definitief  kwijt te raken aan Capablanca. Tot een match om het wereldkampioenschap kwam  het daarna niet meer, maar Lasker bleef actief in het toernooischaak waar hij  ondanks zijn gevorderde leeftijd nog goede resultaten be­haalde, zoals daar  zijn een eerste plaats in New York 1924 en een tweede plaats in Moskou 1925.  Opgejaagd door de nazi’s vlucht­te hij in 1933 totaal berooid uit Duitsland.  Hij woonde kortstondig in Engeland en verhuisde in 1935 naar Moskou op uit­nodiging  van de beruchte Nikolai Krilenko, die, in zijn hoedanigheid als openbaar  aanklager in talloze showprocessen ter meerdere eer en glorie van de communistische  heilstaat, behalve een zeer slecht mens1 ook een verwoed schaker was. Las­ker bekleedde een paar jaar lang de positie  van trainer van het nationale team van de Sovjet-Unie, maar toen beschermheer Krilenko  zelf in 1937 door Stalin werd weggezuiverd moest er opnieuw worden gevlucht,  ditmaal voor het laatst. Op 11 januari 1941 stierf Lasker in New  York, na de laatste jaren van zijn leven in de Verenigde Staten te hebben  doorge­bracht.

Naar Max Euwe zijn schaakverenigingen genoemd in Enschede en in Hoensbroek.  De volwassenen hoef ik niet uit te leg­gen wie Max Euwe was, maar wellicht dat  een paar jeugdspelers zich nu zitten af te vragen: “Max wie?”. Welnu, Machgielis  (roepnaam: Max) Euwe (1901-1981) werd in 1935 de eerste, en tot nog toe enige,  Nederlandse wereldkampioen schaken door een match met Alexander Aljechin met  15½-14½ te winnen. Gespeeld werd in verschillende Nederlandse steden zodat de  match wel iets weghad van een rondreizend circus, maar het enthousiasme bij het  publiek was er niet minder om. De laatste partij, gespeeld in Bellevue te  Amsterdam, werd bijgewoond door 2000 toeschouwers, die in drie zalen als  haringen in een ton opeengepakt zaten! Na Euwes overwinning brak de schaakgekte  pas goed uit in Nederland en de verenigingen schoten als paddestoelen uit de  grond. In de revanchematch twee jaar later won Aljechin overigens met 15½-9½ en  was Euwe zijn wereldtitel alweer kwijt.

Euwe (rechts) en Aljechin in actie tijdens de match van 1935

Euwe (rechts) en Aljechin in actie tijdens de match van 1935

Opvallend aan Euwe was dat hij heel lang amateur is gebleven. In november  1923 behaalde hij zijn doctoraal in de wis­kunde en in 1926 promoveerde hij cum laude in de wis- en natuurkunde op  een proefschrift met de indrukwekkende titel ‘Differentiaalvarianten van twee  covariante-vectorvelden met vier veranderlijken’, en ga daar maar eens aan  staan! Lange tijd was hij wiskundeleraar, eerst in Rotterdam en daarna in  Amsterdam. In 1947 werd hij profschaker in dienst van de KNSB. In die  hoedanigheid reisde hij de wereld af om een onafzienbare reeks  simultaansceances af te werken. In 1950 wijdde hij zich weer aan de wiskunde, waarbij  in het bijzonder de opkomende informatica zijn interesse had. Van 1970  tot 1980 was hij president van de FIDE, waarbij hij onder andere een  cruciale rol speelde in het doorgaan in 1972 van de match Fischer-Spasski. Op  26 november 1981 werd een hartaanval hem fataal. Het is beslist niet overdreven  te stellen dat Max Euwe uitzonderlijk veel heeft betekend voor het Nederlandse  schaakleven.

In Leeuwarden en Leiden zijn er clubs genoemd naar François-André Danican Philidor,  die leefde van 1726 tot 1795. Philidor was de sterkste schaker van zijn tijd.  Behalve schaker was hij ook componist, en bepaald niet onverdienstelijk. Zijn  eerste werk componeerde hij reeds op elfjarige leeftijd. Hij kwam als page aan  het hof van Versailles, waar hij leerde schaken van Legall de Kermeur, de  sterkste Franse schaker van dat moment. In een tijdsbestek van drie jaar was  hij hem de baas. In 1744 speelde Philidor twee blindpartijen in Parijs, destijds  nog nooit vertoond. In 1747 ging hij naar Londen waar hij de beste Britse  schaker, Phillip Stamma, met dikke cijfers versloeg. Een jaar later schreef hij Analyse du jeu des Échecs,zijn opus magnum. In dat boek staat ook zijn beroemde uitspraak “Les  pions sont l’ame du jeu” (“pionnen zijn de ziel van het schaakspel”),  waarmee hij aantoonde de eerste te zijn die de waarde van de pion inzag. Tevens  behandelde hij in zijn boek de opening 1. e4 e5; 2. Pf3 d6, wat sindsdien  bekend stond als de Philidor-verdediging. Hij stierf in Londen op  31 augustus 1795. In een necrologie schreef een Londense krant: “On Monday last, Mr. Philidor, the  celebrated chess player, made his last move, into the other world”. Hij werd  begraven in St. James Cathedral te Londen.

Ook zijn er twee verenigingen genoemd naar de Brit Howard Staunton, één in  Groningen en één in Etten-Leur. Van deze twee is die in Groningen verreweg het  oudst: opgericht in 1871 vierde zij dit jaar haar 138-jarig jubileum. Het  internatio­naal toernooi van 1946 in Groningen, dat de vereniging organiseerde  ter gelegenheid van haar 75-jarig bestaan, geldt nog steeds als een klassieker,  temeer omdat organisatie van een dergelijk evenement zo vlak na de oorlog verre  van eenvoudig was. Het toernooi werd gewonnen door Botwinnik met 14½ uit 19,  voor Euwe met 14 en Smislov met 12½ punt.

Howard Staunton werd geboren in 1810 te Westmoreland, Engeland. In 1841  werd hij uitgever van ‘The Chess Player’s Chronicle’, het eerste Britse  schaakmagazine. In 1843 won hij een match van Pierre de Saint-Amant, en vanaf  dat mo­ment maakte hij deel uit van de internationale schaakelite. Van 1845 tot  zijn dood in 1874 had hij een column in de ‘Illustrated London News’. De  duizendpoot Staunton was echter meer dan alleen schaker, hij was ook nog eens  uitgever, journalist en schaakpromotor. In zijn column van  8 september 1849 maakte hij reclame voor een nieuw design van de  schaakstukken die we ook nu nog kennen onder zijn naam, echter niet ontwikkeld  door hemzelf maar door Nathaniel Cook. Ook was hij de drijvende kracht achter  de organisatie van het eerste internationale schaaktoernooi (Londen 1851), met  deelname van de destijds 16 beste schakers ter wereld. Het prijzengeld van £ 500 lijkt in onze moderne ogen wellicht wat  schamel, maar voor die tijd was het werkelijk ongehoord. Naar huidige  maatstaven komt het overeen met een slordi­ge £ 400.000!
  En laten we natuurlijk onze eigen illustere naamgever, Michail Tal, niet vergeten!  De meeste schakers krijgen pas (ver) na hun dood een club naar zich vernoemd,  maar toen de vereniging Tal in 1960 werd opgericht stond de schaker Tal op het  toppunt van zijn roem. Hij heeft zelfs ooit een certificaat ondertekend waarin  hij de club toestemming gaf zijn naam te dragen!

Michail Nechemevitsj Tal was trouwens zijn Russische naam. Tal was  afkomstig uit Letland, waar zijn naam werd uitge­sproken als Mihails Tals. Hij  leerde het spel op 7-jarige leeftijd maar het duurde vrij lang voor hij  resultaten begon te boeken. In 1949 werd Alexander Koblentz zijn trainer, en  daarna ging het hard. Zijn eerste grote resultaat was het kampioen­schap van  Letland in 1953. Vier jaar later won hij voor het eerst het Kampioenschap van  de Sovjet-Unie, waarna de FIDE hem tot grootmeester benoemde. In 1960 speelde  hij in Moskou een match om de wereldtitel tegen Botwinnik, die hij met 12½-8½  won. Na verlies van de revanchematch in 1961 deed hij nog verschillende  pogingen om de wereldtitel te heroveren, maar mede door zijn slechte gezondheid  kwam hij nooit door de slopende kandidatenmatches die de uitdager van de  wereldkampioen moesten opleveren. Wel bleef hij vele toernooien spelen, en  winnen. Van juli 1972 tot april 1973 speelde hij 86 partijen zonder ook maar  één partij te verliezen (+47 =39) en een tijdje later scherpte hij dat record  aan tot 95 partijen (+46 =49). In de diverse Schaakolympiades speelde hij in  totaal 101 partijen waaruit hij 82 punten scoorde.

Van Tal is bekend dat hij verslaafd was aan het schaakspel. Altijd wilde  hij spelen, en het maakte hem niet uit tegen wie, al was het de ober van het  restaurant of de taxichauffeur. Bij het grote publiek was hij beroemd om zijn  onwaarschijnlijke offers waaraan hij zijn bijnaam ‘De tovenaar van Riga’ te  danken had. Achteraf bleken die offers vaak incorrect2,  maar tijdens de partij waren ze buitengewoon effectief.

Zoals gezegd was zijn gezondheid bijzonder matig, en Tal zelf deed als  kettingroker en zwaar drinker geen enkele moeite daar verbetering in aan te  brengen. Uiteindelijk stierf hij op 28 juni 1992 toen zijn enig overgebleven  nier het begaf (de andere was al in 1969 verwijderd).

Tal's grafsteen

Tal’s  grafsteen op het kerkhof van Riga. Let op de hem zo kenmerkende sigaret in zijn mond!
Opvallend  is dat als datum van overlijden 27 juni wordt genoemd terwijl alle overige  bronnen spreken van 28 juni.

Bent u toevallig in Den Helder, loop dan eens langs bij ‘M.S.C.’, wat staat  voor ‘Morphy Schaakmat Combinatie’. Paul Morphy (New Orleans, 22 juni 1837) was  al in zijn jeugd een enorm talent. Niemand had hem leren schaken, maar toen hij  op zesjarige leeftijd getuige was van een partij tussen zijn vader en zijn oom,  die in remise was geëindigd, verraste young Paul zijn stomverbaasde familieleden door te zeggen dat zijn oom had kunnen  winnen. Vervolgens zette hij de bewuste stelling op en bewees zijn gelijk. Een  jaar later speelde hij tegen generaal Winfield Scot, die zichzelf als een sterk  schaker beschouwde. Morphy versloeg hem tot tweemaal toe. In de tweede partij kondigde  hij reeds na zes zetten gefor­ceerd mat aan! Hier eindigde waarschijnlijk de  schaakcarrière van generaal Scot waar die van Morphy nog goed en wel van de  grond moest komen. Hij was 12 toen de Hongaarse meester Löwenthal de stad  bezocht en natuurlijk moest er worden geschaakt: 3-0 voor Morphy.

Hierna richtte hij zich op zijn studie rechten, die hij in 1857 voltooide.  Omdat hij nog te jong was om als advocaat te mogen werken, reisde hij in 1858  naar Engeland waar hij iedereen versloeg, behalve Staunton die hem ontweek.  Daarop ging hij naar Parijs, waar het beroemde Café de la Regence zijn  hoofdkwartier werd, alles en iedereen verpletterend. Weer terug in Engeland  versloeg hij 5 meesters in een simultaan. Hij daagde iedereen uit voor geld  tegen hem te spelen met voorgift van een zet en een pion, maar niemand durfde.  Daarop stopte Morphy definitief met schaken en reisde terug naar New Orleans,  waar zijn pogingen als advocaat aan de slag probeerde te komen faalden, mede  door het uitbreken in 1861 van de Amerikaanse Burgeroorlog. De laatste jaren  van zijn leven waren tragisch. Zijn geestesgesteldheid leed onder aanvallen van  paranoia en waanbeelden, waarbij hij dacht dat men hem wilde vergiftigen en  zijn kleren in brand wilde steken. Zijn familie trachtte hem te laten opnemen  in een inrichting, hetgeen hij weigerde. Op 10 juli 1884 stierf hij aan een  beroerte, waarschijnlijk teweeg gebracht door een (te) koud bad na een lange  wandeling in de hete zon.

De match Fischer-Spassky zette in 1972 het schaken mondiaal op de kaart.  Geen wonder dat er naar beide spelers een club is genoemd. Zo vinden we in het  mondaine Wassenaar de ‘SV Bobby Fischer’ en in de SGA hebben we natuurlijk ons  eigen ‘Fischer/Z’. Dat gezegd hebbende, is die eigenlijk wel naar Robert J.  Fischer genoemd? Fischer/Z was immers ten tijde van de oprichting (1982) ook de  naam van een populaire popgroep, maar wij schakers denken bij de naam Fischer  natuurlijk meteen aan gekke Bobby. Tijdens de oprichtingsvergadering kreeg de  naam Fischer/Z evenveel stemmen als S.P.S.A., wat staat voor de flipperterm Same Player Shoots Again, zodat een  spelletje de beslissing moest brengen. Jaren later konden de oprichters zich  niet meer herinneren of dat nou een spelletje toepen of een spelletje flipperen  was, dus die zullen wel geen cola hebben gedronken …. De Groningse  schaakvereniging ‘Spassky’s’ verwijst naar de grote Boris, die in 1969  wereldkampioen werd door Petrosjan met 12½-10½ te kloppen en drie jaar later in  de match van de eeuw door Fischer werd verslagen. Spassky leeft nog steeds en  woont al jaren in Frankrijk.

In Utrecht zetelt ‘s.v. Paul Keres’. Dit was vroeger een  studentenvereniging die bekend stond als ‘Utstud’, maar toen de voorwaarde van  studentschap werd losgelaten als conditio  sine qua non besloot men zich om die reden van de oude naam te ontdoen. Een  nieuwe naam moest worden bedacht en de leden pijnigden zich het hoofd. Een  prijsvraag leverde behalve veel boertige lol weinig concreets op, zodat op de  ledenvergadering van 3 juni 1975 werd besloten een commissie in het  leven te roepen die werd opgezadeld met het vinden van een nieuwe naam. Nu  wilde het toeval dat de Estse grootmeester Paul Keres twee dagen later  overleed, waarop werd besloten de vereniging naar hem te noemen.

Paul Keres werd geboren op 7 januari 1916 in Narva, Estland. Zijn  eerste grote succes kwam in 1938 toen hij, samen met Reuben Fine, het  AVRO-toernooi won. Tijdens de oorlog werd zijn geboorteland Estland tot  tweemaal toe bezet, eerst door de Russen en daarna door de nazi’s. Gedurende  die periode speelde Keres een paar toernooien in Duitsland en Est­land, wat hem  in de ogen van de communisten een collaborateur maakte. Aanvankelijk waren de  autoriteiten dan ook van plan hem na de oorlog te executeren, maar op  voorspraak van Botwinnik bleef hem dat bespaard en werd hij zelfs in ge­nade  aangenomen. In zijn glansrijke carrière versloeg Keres 9 wereldkampioenen,  waarvan verscheidene meermaals, en werd hij kampioen van de Sovjet-Unie in  1947, 1950 en 1951. In Helsinki, op de terugweg van het door hem gewonnen  toernooi van Vancouver, overleed hij op 5 juni 1975 aan een  hartaanval. In Estland kreeg hij een staatsbegrafenis, die werd bijgewoond door  100.000 mensen. Nog steeds siert zijn portret het bankbiljet van 5 krooni.  Algemeen wordt Keres beschouwd als de sterkste schaker die nooit wereldkampioen  is geweest. In de openingstheorie leeft hij voort in de Keres-variant van het  Siciliaans (1. e4 c5; 2. Pf3 d6; 3. d4 cxd4; 4. Pxd4 Pf6; 5. Pc3 e6; 6. g4),  maar ook andere openingen heeft hij met zijn ideeën verrijkt.

Samuel (beter bekend als Salo) Landau werd geboren in het Poolse Bochnia op  1 april 1903. Tijdens de Eerste Wereld­oorlog vluchtte hij met zijn  familie naar Wenen en vandaar naar Rotterdam. In 1936 werd hij Nederlands  kampioen, waarbij moet worden opgemerkt dat Euwe dat jaar niet meedeed. Maar  toch, na Euwe was Landau onbetwist de num­mer 2 van Nederland. Tijdens de  Tweede Wereldoorlog raakte hij met zijn joodse achtergrond in het nauw. In  septem­ber 1942 probeerde hij te vluchten naar Zwitserland, werd echter  bij het station van Breda opgepakt en gedeporteerd naar Gräditz (destijds  Duitsland, nu Polen) waar hij in 1943 (of 1944, bronnen spreken elkaar tegen)  overleed, bizar genoeg op slechts enkele kilometers afstand van de plaats waar  hij was geboren. Op 17 juli 1946 werd in het Zeeuwse Axel een schaakclub opgericht  die naar hem werd vernoemd.

In 1980 was Zoetermeer een snel groeiende stad, en dat schreeuwde  natuurlijk om een eigen schaakvereniging. Een jaar later was het zover, en de  nieuwgeborene werd, naar de veelvoudig wereldkampioen, ‘Botwinnik’ genoemd.  Waarom pre­cies naar hem is onduidelijk. Botwinnik was natuurlijk een zeer  sterk schaker, maar in de menselijke omgang stond hij bekend als eigenzinnig,  stijfkoppig, achterdochtig en paranoïde. Geen feestnummer om eens gezellig een  biertje mee te drinken! Als communistische hardliner was Botwinnik bovendien dikke maatjes met de beruchte Krilenko, de misda­diger  die we net ook al even tegenkwamen in het stukje over Lasker, en nadat hij in 1936  het toernooi in Nottingham had gewonnen stuurde hij Stalin een telegram met de  mededeling dat hij de overwinning aan hem opdroeg. Kortom, er zijn prettiger  mensen denkbaar om je club naar te vernoemen!

De jonge Botwinnik was een bijdehand knaapje, dat op z’n negende al  literaire werken las van Poesjkin, Gogol en Toer­genjev. Hij was twaalf toen  hij leerde schaken, en reeds twee jaar later versloeg hij Capablanca, op dat  moment regerend wereldkampioen, in een simultaanseance. Botwinnik had een  ijzeren discipline en leefde als een asceet, waarbij nicotine en alcohol  volstrekt taboe waren. Om zich te harden liet hij zich door Ragosin rook in het  gezicht blazen en zette hij de radio hard aan om zichzelf immuun te maken voor  storende geluiden.

Toen Aljechin in 1946 overleed werd de wereldtitel vacant. Besloten werd  een toernooi te organiseren met als deelnemers Botwinnik, Smyslov, Reshevsky,  Euwe, Keres en Fine, waarvan de winnaar de nieuwe wereldkampioen zou zijn. Fine  zag op het laatste moment af van deelname, zodat er een vijfkamp werd gespeeld,  deels in Nederland, deels in de Sovjet Unie. Botwinnik won met 14 uit 20 en was  daarmee de zesde wereldkampioen schaken. In de jaren daarop zette hij zijn  wereldtitel regelmatig op het spel. Tweemaal verloor hij zijn titel (aan  Smyslov en aan Tal) om deze in de revanchematch te heroveren. In 1963 verloor  hij van Petrosjan, en ditmaal was hij de titel definitief kwijt omdat de FIDE  het destijds tra­ditionele recht op revanche had afgeschaft. Na zijn actieve  carrière werd Botwinnik schaakleraar, en niet zonder succes. Taimanov,  Joesoepov, Kasparov, Kramnik en Shirov kregen van hem les, bepaald niet de  minsten ….. Botwinnik overleed op 5 mei 1995. Een messcherpe variant in het  half-Slavisch (1. d4 Pf6; 2. c4 e6; 3. Pf3 d5; 4. Pc3 c6; 5. Lg5 h6; 6. Lh4  dxc4) is naar hem genoemd.

De schaakvereniging ‘Messemaker 1847’ uit Gouda vermeldt maar meteen het  jaar van oprichting in de verenigingsnaam. Christiaan Messemaker werd geboren  op 24 mei 1821, één dag na het huwelijk van zijn ouders. Da’s nog eens gevoel  voor timing! Op zijn verjaardag in  1847 richtte hij ‘Vriendentrouw’ op, een vereniging waarvan ook dammers en  kaarters deel uitmaakten. In 1860 gingen de schakers verder onder de naam  ‘Oefening en Beleid’ en in 1886 kreeg de vereniging haar huidige naam, als eerbetoon  aan haar oprichter. Messemaker was tweemaal officieus Nederlands Kampioen.

De naam Pomar zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Toch werd  in 1946 in Rijswijk een schaakclub vernoemd naar deze Spaanse grootmeester, die  op dat moment overigens nog slechts 15 jaar oud was. Arturo Pomar Salamanca  werd geboren op 1 september 1931 te Palma de Mallorca en gold als een geducht  jeugdtalent. Zijn eerste grote succes kwam in 1942, toen hij op 10-jarige  leeftijd kampioen van de Balearen werd. Franco misbruikte hem voor publicitaire  doeleinden en lanceerde hem als exponent van het nieuwe Spanje. De grote  Alexander Aljechin werd aangetrokken als trainer en in 1946 veroverde hij voor  de eerste maal het kampioenschap van Spanje, een kunststukje dat hij nog  zesmaal zou herhalen. Vele toernooioverwinningen volgden (US Open 1954 en  Madrid 1960 om er een paar te noemen) en halver­wege de jaren ’60 stond hij in  de top-50 van de wereld. In 1992 speelde hij zijn laatste toernooi.  Tegenwoordig slijt hij zijn oude dag in een klein dorpje vlakbij Barcelona,  waar hij met zijn vrouw Carmen de post verzorgt.

Overigens waren het niet alleen hele sterke schakers die aan een club hun  naam schonken, al had Daniël Noteboom dat wellicht best kunnen worden als hij  niet zo jong was gestorven. Hij werd geboren op 26 februari 1910 in Noordwijk  en gold zo eind jaren ’20 als een groot talent. Zijn grootste succes behaalde  hij tijdens de landenwedstrijd van 1930 in Ham­burg, waar hij aan het vierde  bord een score van 11½ uit 15 behaalde tegen onder andere Flohr, Takacs,  Richter en Stolz. Op 12 januari 1932 overleed hij in een Londens  ziekenhuis aan de gevolgen van een longontsteking. Te zijner nagedach­tenis  werd reeds enige jaren later in zijn geboorteplaats de schaakvereniging  opgericht die nog steeds zijn naam draagt. Naar Note­boom is een  openingsvariant van het Slavisch genoemd3 en  nog elk jaar organiseert het Leidse LSG het naar hem ge­noemde weekendtoernooi.

In Rotterdam vinden we de schaakvereniging ‘Onesimus’, die beminde  gelovigen uit de bijbel kennen. Onesimus was een weggelopen slaaf die had  gestolen van zijn meester Filémon, ontrouw was en daarom op de vlucht was  geslagen. Hij kwam bij Paulus terecht, die in Rome, in afwachting van zijn  proces, in gevangenschap leefde. Onesimus werd door Paulus bekeerd tot het  christendom en door hem gedoopt. Na zijn dood (van Paulus dus) werd Onesimus  volgens de overlevering bisschop van Efese en daarna van Kolosse. Rond het jaar  90 na Christus stierf hij in Rome de marteldood, in die dagen een tamelijk  gangbare manier om als christen aan je eind te komen.

Het Rotterdamse ‘Erasmus’ werd opgericht op 5 september 2005 en kwam voort uit een fusie tussen de schaakverenigingen NRSG Wil­helm Steinitz, Hillegersberg en Schiebroek Westen Regina. Of de goede Desiderius een groot schaker was is mij niet bekend, maar een begenadigd filosoof was hij zeker. Hij wordt tot de humanisten gerekend, wat, anders dan tegenwoordig, niet wil zeggen dat hij religie afwees. Integendeel, hij was wel degelijk religieus (in 1492 werd hij zelfs tot priester gewijd!). Hij stond in principe sympathiek tegenover Luther, maar had als vredelievend en relativerend humanist ook kritiek op hem, zeker toen duidelijk werd dat in Luthers visie geen ruimte was voor menselijke vrijheden. Erasmus pleitte voor tolerantie tussen katholieken en protestanten, maar werd daardoor door beide partijen als ketter beschouwd. De woorden ‘vredelievend’ en ‘relativerend’ doen vermoeden dat er een soort liberaal avant la lettre in hem schuil ging, en dat was ook zo, Erasmus was zijn tijd vele eeuwen vooruit. Neemt niet weg dat hij toch wel een bedenkelijk trekje had: evenals de meesten van zijn tijdgenoten was hij uitgesproken antisemitisch. Zijn oproep tot verdraagzaamheid was dan ook vooral bedoeld voor christenen onderling.

Erasmus woonde het grootste  deel van zijn leven in Rotterdam, en het is dan ook geen wonder dat de  plaatselijke universiteit naar hem is vernoemd. Opmerkelijk was in dat kader  een onderzoek uit 2003, waaruit bleek dat maar liefst 65% van de Rotterdammers  in hem de architect van de Erasmusbrug zag …. (duh!).

In het Groningse Stadskanaal vinden we de vereniging ‘J.H. Kruit’, genoemd  naar Jan Hessel Kruit die in 1923 zijn finest  hour beleefde. In dat jaar won hij zowel het kampioenschap van de  Noordelijke Schaakbond als het kampioenschap van de Nederlandse Schaakbond, die  overigens destijds nog niet het predikaat ‘koninklijk’ met zich meedroeg en dus  in de volksmond bekend stond als ‘de NSB’ (ai ….). Na de oorlog dus maar snel  koninklijk geworden, u begrijpt nu waarom ….

We blijven in het noorden des lands. In oktober 1874 werd te Winschoten een  schaakvereniging opgericht op initiatief van de plaatselijk geneesheer, Dr. Th.  Haakma Treslong. Aanvankelijk had de vereniging geen naam. Tijdens een op  25 september 1875 gehouden ledenvergadering werd echter besloten aan Dr.  A. (Antonius) van der Linde, een destijds bekend Nederlandse schaakhistoricus,  te verzoeken ermee akkoord te willen gaan dat de club naar hem werd genoemd en  tevens het "peterschap" te willen aanvaarden. Voorts werd hem maar  meteen het erelidmaatschap van de vereniging aan­geboden. De geleerde doctor  aanvaardde zowel het peterschap als het erelidmaatschap met grote ingenomenheid  en daar, zoals hij zelf in "De Schaakwereld" van 1875 mededeelt, naar  oud en goed gebruik een peter niet met lege handen mocht verschijnen, schonk  hij de jonge vereniging een 50-tal schaakwerken.

Deze Van der Linde was kennelijk geen gemakkelijk heerschap. Uit het  Tijdschrift van de Nederlandse Schaakbond, num­mer 23, februari-maart 1942,  citeer ik het volgende:

De figuur van Van der Linde  is trouwens een behandeling ten volle waard. Deze persoonlijkheid bergde twee  ganschelijk diametrale naturen in zich. Hij was, waar het zijn  wetenschappelijke onderzoekingen betrof, objectief; waar het zijn prestaties  als schaakspeler en als medeleider van het Nederlandsche schaakleven gold, was  hij in hooge mate subjectief; als schaakspeler was hij middelmatig, als  schaakpublicist buiten het wetenschappelijke, partijdig: als polemist  onverdragelijk en grof. De strijd, die in en rondom zijn schaakblad "De Schaakwereld"  werd gevoerd, was uitermate ongeschikt voor het populariseren van het schaak  als beschrijvingsfactor.

Terzijde, in de periode 1850-1900 was het schaken met name in de noordelijke  provincies zeer populair, wat moge blij­ken uit het grote aantal  verenigingen dat gedurende deze periode werd opgericht. 1847 was het  geboortejaar van ‘Philidor Leeuwarden’, waarmee ze één van Neerlands oudste  verenigingen is (zelf beweren ze zelfs dé oudste, maar onze vrienden van  VAS claimen een nog grotere anciënniteit), in 1871 zag het Groningse ‘Staunton’  het levenslicht en in 1874 dus ‘Van der Linde’. In 1898 werd er in Groningen  een damesschaakvereniging opgericht, wat zelfs vandaag de dag niet al te ge­bruikelijk  is, laat staan in die tijd ….

Na wat googlen kwam ik er achter dat ‘S.D.C. (Schaak- en damclub!) Jurjen  Tolsma’ uut Stiens is vernoemd naar  een niet onverdienstelijk dammer uit de jaren ’30 van de vorige eeuw. Ook de  vereniging ‘Aris de Heer’ uit Middenbeemster is genoemd naar een dammer, die  naar verluidt tussen 1835 en 1860 als vrijwel onverslaanbaar bekend stond.  Destijds, toen het verzuilde verenigingsleven nog glorieus floreerde, kwam het  wel vaker voor dat op een club gelijktijdig werd gedamt en geschaakt. Het  multi-disciplinaire karakter van dergelijke verenigingen komt ook nu nog tot  uiting in sommige vereni­gingsnamen, zoals ‘D.S.C. (Dam- en Schaak Club)  Glazenburg’ uit Rheden en ‘D.S.V. (Dam- en Schaak Vereniging) Ons Genoegen’ uit  Almen.

Een melige eend in de bijt  is schaakclub ‘De Haarlemse Jopen’; niet, zoals je zou denken, genoemd naar een  groep personen met de voornaam Joop, maar naar een lokaal gebrouwen bier. Er  zijn nogal wat dingen opmerkelijk aan deze club. Zo heten alle leden vanaf  ingang van het lidmaatschap ‘Joop’ (dames: naar keuze ‘Jopie’ of  ‘Jopelientje’). Artikel 6 van de statuten bepaalt dat alle actieve  Jopen worden benoemd tot voorzitter, zulks ter bevordering van de lengte van de  bestuursvergaderingen, maar de statuten bestaan uit nog veel meer aparts. Zo is  artikel 1 een gedicht van de vroeg-Middeleeuwse monnik Joperus:

Bedreyver van het eed’le scaek,  Zooals  eens Wigbolt Ripperda,
  Slaet acht op goet ende haeve. Riep:  ‘Den Spanjool eruut'
  ‘t Leyden van het swart en wit,  Zoo  moet altoos uwe inzet zijn:
  Dat is voorwaer een gave!  Wees  daarom ferm, Sta tuut!

Aardig is ook artikel 5, waar we kunnen lezen dat er zowel minimaal als  maximaal twaalf actieve Jopen lid kunnen zijn. Let wel, een aspirant-Joop moet  van goeden huize komen want er is een heuse ballotagecommissie! Het  lidmaatschap kan desgewenst worden beëindigd, met dien verstande dat de Joop in  kwestie zelf een nieuw lid aanbrengt. Misschien een aardig idee voor Tal/DCG,  en zo’n ballotagecommissie lijkt me trouwens ook wel wat …. Grappig is nog te  vermelden dat de Joop verantwoordelijk voor het innen van de penningen tevens  hoofd integratie van islamitische homosuelen is, en dat er ook een bestuurslid  is dat zich bezighoudt met de portefeuille automatisering en onmogelijke  evenementen ….

Momenteel dragen 24 van de 534 schaakverenigingen de naam van een persoon.

Verenigingen die zijn genoemd naar schaakstukken

Hiervan zijn er 61. Van alle schaakstukken is de stoere toren het meest  populair. Komt 20 keer voor, in allerlei vervoegin­gen. Daarbij moet worden  opgemerkt dat veel verenigingen met een toren in de naam niet zijn genoemd naar  het schaak­stuk maar naar een markant gebouw in de buurt. Zo is ‘Het Dikke  Torentje’ (Eemnes) genoemd naar de beroemde kerk op de Wakkerendijk terwijl ‘S.V.  Toren van Egmond’ (Egmond aan Zee) slechts is geassocieerd met het plaatselijke  kasteel. Ook ‘De Waagtoren’ uit Alkmaar heeft niets met de toren uit het  schaakspel te maken maar juist alles met het plaat­selijk wereldberoemde  waaggebouw, dat dateert uit 1601. ‘De Waagtoren’ is overigens een fusieclub van  drie verenigingen: Lange Rochade, ASG en VVV, niet te verwarren met de  voetbalclub. De afkorting ‘VVV’ stond overigens voor het prachtig idealistische  ‘Van Vijanden Vrienden’ ….

Drie verenigingen noemen zich ‘De Toren’, van wie die uit Arnhem het meest  bekend is. Er zijn echter ook clubs van die naam in Valkenburg (ZH) en het  Brabantse Leende. In Pijnacker zetelt de ‘Schaakvereeniging (let op de oude  spelling!) Scheve Toren’ en in Rotterdam hebben ze er eentje van ivoor. Grappig  is dat ‘3-Torens’ uit Berkel en ‘De Drie Torens’ uit Tilburg bijna naamgenoten  zijn.

‘De Twee Kastelen’ ontstond in 1971 uit een fusie tussen de  schaakverenigingen ‘Strijdt Met Beleid’ (Gerkesklooster) en ‘De Pionier’  (Kollum; u weet wel, van de kaas). Bijzonder aan deze vereniging is dat ze het  ene kalenderjaar in Gerkes­klooster spelen en het andere in Kollum! Ik citeer  de website: “Zo is het nadeel van het in de winter over eventuele gladde wegen  te moeten rijden eerlijk verdeeld over de beide Kastelen”, en dat is ook wel  weer waar ….

Het edele paard vinden we 18 keer terug in de verenigingsnaam, waarvan ik ‘S.C.  De Hynste Sprong’ uit Sint Nicolaasga de mooiste vind. Nu is mijn kennis van de  Friese taal wat aan de basale kant, dus ik wist niet helemaal zeker of mijn ver­moeden  (dat een hynst een paard is) correct was, maar even googlen  nam alle twijfel weg: we hebben het hier daadwerkelijk over de paardensprong.  De hynst vinden we ook terug in de  Friese versie van de onverwoestbare Sinterklaaskraker ‘Zachtjes gaan de  paardevoetjes’:

Súntsjes gean de  hynstepoatsjes, trippel-trappel, trippel-trap;
  't Is de hynst fan  Sinteklaeske, stippel-stappel, stippel-stap,
  't Hapke draecht op syn  gemak, Sinteklaeske oer it dak!
  't Hapke kin it paed wol  fine, trippel-trappel, trippel-trap;
  By it held're moanne-slydtsje,  stippel-stappel, stippel-stap,
  't Hapke is noch lang net  warch, mar ik moat op bêd, ha 'k soarch.

Mooie taal dat Fries! Maar er zijn meer paardensprongen: ‘S.C. De  Paardensprong’ vinden we in Groningen, ‘S.C. Het Springende Paard’ in  Aarlanderveen (ik had er ook nog nooit van gehoord maar Google is een trouwe  raadgever, blijkt ergens tussen Alphen a.d. Rijn en Nieuwkoop te liggen) en  ‘S.V. ’t Springend Peert’ uit Puttershoek. Opvallend is het Apeldoornse ‘S.C. Vrouw  en Paard’ (mooie knipoog naar het legendarische radioprogramma Man en Paard),  dat op haar website het vermoeden uitspreekt de enige vrouwenschaakclub van  Nederland te zijn, en dat zou best weleens waar kun­nen zijn …. Verder liefst  vijf witte paarden (in Deventer, Haarlem, Zaandijk, Voorhout en Sas van Gent)  terwijl de zwarte paarden alleen zijn vertegenwoordigd door ‘S.C. ’t Zwarte  Paard’ te Ommen. De kleur zwart komt sowieso weinig voor in verenigingen die  naar schaakstukken zijn genoemd, heeft kennelijk toch een wat negatieve  connotatie. In Lisse vinden we ‘De Zwarte Pion’, in Sommelsdijk (op  Goeree-Overflakkee) ook een, en vooruit, in het Zeeuwse Kruiningen zelfs ‘De  Zwarte Dame’, maar dat was het dan ook. Ik vond nog wel ‘S.V. Het Zwarte Water’  uit Zwartsluis, ‘De Zwarte Olifant’ uit Woerden en ‘Het Zwarte Schaap’ uit  Tilburg, maar ja, die vallen niet in deze rubriek ….

‘Het Paard van Ree’ uit het schaakmaffe Wijk aan Zee is een bijzondere.  Deze vereniging is genoemd naar een moment uit de partij die Hans Ree in 1970  tegen de Fin Heiki Westerinen speelde tijdens het Hoogoventoernooi. Eén van Ree’s  paar­den werd aangevallen, het belandde op het troosteloze veld a1 en elf  zetten later gaf Ree op. Toen enige maanden later een schaakclub werd opgericht  herinnerden de initiatiefnemers zich het arme paard op a1 en besloten daarop het  beest te vereeuwigen door hun club naar hem te noemen. Naar verluidt was Ree  zelf aanvankelijk not amused, zoals  zou blij­ken uit een door hem geschreven artikel in de NRC. Geschrokken  besloten de leden hun club dan maar te hernoemen in ‘Schaakgenootschap Het  Verdronken Paard’, maar toen voorzitter Dennis Krassenburg tijdens het  Corus-toernooi van 2006 een gesprek aanknoopte met de grand maître bleek er van enige wrevel geen sprake te zijn en werd  de originele naam weer in ere hersteld, ditmaal met de zegen van Ree (“Jullie  doen maar hoor”).

In de categorie mooie paardennamen gaan verder eervolle vermeldingen uit  naar ‘S.V. Paardekracht’ (Noordwijkerhout), ‘Het Briesend Paard’ (Urk),  ‘S.V. Het Houten Paard’ (Brielle) en ‘S.V. ’t Stokpaardje’  (Maasbracht).

De pion is qua schaakkracht het meest bescheiden schaakstuk. Neemt niet weg  dat het 18 maal voorkomt in verenigings­namen. Eenvoudigweg ‘De Pion’ komt  liefst zes keer voor met vestigingen in Amsterdam, Roosendaal, Harlingen, Groes­beek,  Hilversum en Wormerveer. Variaties daarop zijn ‘Stormpionnen’ (Leiden), ‘De  Vrijpionnen’ (Voorhout), ‘De Pion­netjes’ (Schiedam) en ‘R.S.C. ’t Pionneke’  (Roermond).

Aardig is ook de naamgeving rond ‘S.V. De Zeven Pionnen’ uit Ede, want  waarom in Godsnaam zeven pionnen waar acht meer voor de hand zou liggen? Welnu,  toen de club op 6 september 1933 werd opgericht ten huize van de heer  Zweedijk waren zeven personen present. Toen er gestemd werd over een naam werd  besloten dat aantal te doen weerspiegelen in de clubnaam, en zo kwam S.V. De  Zeven Pionnen aan haar naam. Teneinde de club van dienst te zijn bood de heer  Zwee­dijk het gebruik van zijn woning aan, alwaar zou worden vergaderd en  geschaakt (destijds was het gebruikelijk dat iedere speelavond werd  voorafgegaan door een vergadering). De kosten bedroegen 10 cent per persoon per  avond en kwamen geheel ten goede aan de heer Zweedijk en zijn vrouw. Zij  zorgden dan voor vuur, licht en consumpties in de vorm van 1 of 2 koppen thee  of koffie. De heer Van der Lang schonk de club een vijftal op karton  geschilderde schaakborden, die bij de overige leden zeer in de smaak vielen.

De overige schaakstukken moeten het doen met aanzienlijk minder  vermeldingen. Neem nou de loper (of raadsheer zoals men vroeger zei). Onze  stadgenoten van ‘De Raadsheer’ kennen we natuurlijk maar al te goed, maar er  zijn er nog twee, een in Zundert en een in Elsloo (Limburg). Verder nog ‘De  Zandloper’ in Waalwijk, ‘De Strandloper’ in Petten en ook nog ‘De Rode Loper’ in  Utrecht. Een paar jaar geleden was er overigens in Utrecht een club die zelfs  twee schaakstukken in de naam wist te verwerken: ‘Loper te Paard’! Deze club is  wegens gebrek aan leden niet meer onder ons ….

Een zwarte dame kwamen we net al even tegen in Kruiningen, maar er is ook  een witte in Grubbenvorst terwijl ‘De Willi­ge Dame’ uit Dordrecht meer  associaties oproept met een escortbureau dan met een schaakvereniging …… We  staan op het internet, dus mochten onze schaakvrienden uit Dordrecht dit ook  lezen, bij voorbaat excuus voor dit wel errug flauwe grapje …. De koning ten  slotte komt er wel héél bekaaid af: ik vond slechts ‘S.V. Twee Koningen’ in  Eindhoven.

Verenigingen die zijn genoemd naar schaaktermen

Denksportcentrum 'En Passant'

Hiervan zijn er 34. De schaakterm ‘en passant’ gaat in  deze categorie aan kop met vermeldingen in Chaam, Den Haag, Bunschoten/Spakenburg  en het Texelse Den Burg. Van deze vier timmert de vestiging in Bun schoten/Spakenburg  het hardst aan de weg. Vorig sei zoen werd met veel geweld het kampioenschap  be haald in de derde klasse A na alle wedstrijden te heb ben gewonnen, maar  dat mag dan ook wel met spelers als Manuel Bosboom (vorig seizoen 9 uit 9!),  Bruno Carlier, Richard Vedder en Hans Böhm in de gelede ren4.  Deze vereniging is om nog een andere reden bij zonder: het is een van de  weinige in het land die de beschikking heeft over een eigen clubgebouw, het  zeer fraaie Denksportcentrum ‘En Passant’ (zie foto hier naast).

Op de tweede plaats eindigt de rochade (of rokade), die door drie clubs in  hun naam is verwerkt, in respectievelijk Lich­tenvoorde, Nieuwe Pekela, en  Tilburg. ‘S.V. De Combinatie’ vinden we in zowel Harderwijk als Asten, ‘Eeuwig  Schaak’ in Ridderkerk en Rucphen, ‘De Oppositie’ in Deventer en Heiloo, ‘De  Vrijpion’ in Gendt en Boxmeer en ‘S.V. Schaakmat’ in Noord Scharwoude en  Naaldwijk.

Wat de overige schaaktermen betreft moeten we spreken in enkelvoud. Een  paar voorbeelden: ‘S.V. Fianchetto’ (Vaals), ‘S.V. Dubbelschaak ’97’ (Boxtel), ‘De  Sleutelzet’ (Arnhem), ‘S.V. Familieschaak’ (Zwolle) en ‘S.V. Triple-Pion’  (Eindhoven). De naam van de schaakvereniging ‘Opening ‘64’ (Sint Pancras) vind  ik mooi gekozen omdat ’64 verwijst naar zowel het jaar van oprichting als het  aantal velden op het schaakbord. De website van ‘Opening ‘64’ meldt trots dat  het in totaal bijna 80 leden heeft, waarvan het leeuwendeel afkomstig is uit de  eigen jeugdopleiding (sic!). Daar zal  menig schaak­vereniging jaloers op zijn! Grappig gekozen ten slotte is de naam  van het altijd optimistische ‘S.V. Goede Zetten Zat’ uit Utrecht.

Verenigingen die zijn genoemd naar mythologische figuren

De naam ‘Sissa’ komt driemaal voor. De verenigingen van die naam in de Brabantse gemeentes Luyksgestel en Oirschot zijn wat kleinere clubs maar die in Groningen is tamelijk vermaard. Dit is een typische studentenvereniging, die de naam Sissa heb­ben ontleed als Scaccare Inter Studioses Stimulat Amacitiam, wat grof vertaald zoiets betekent als “studentenschaak bevordert de vriendschap”. Leuk gevonden! De naam Sissa is echter geen afkorting maar afkomstig van een historisch figuur, die we kennen uit het beroemde verhaal van de graankorrels. Volgens de legende was hij brahmaan (een soort priester) aan het hof van de Indiase koning Balhait. Deze royalty­figuur vond dat zijn onderdanen zich te veel bezighielden met gokspelletjes waar dobbelstenen aan te pas kwamen en gaf op­dracht een spel te ontwikkelen waar de geluksfactor van veel minder belang was. Na wat stevig mediteerwerk bedacht Sissa het schaakspel (in Sanskriet: Chaturanga), en de koning was zo enthousiast dat hij Sissa wilde belonen. “Doe een wens, en hou je vooral niet in!” klonk het lichtzinnig, en dat heeft de koning ge­weten. Sissa wenste op het eerste veld 1 graankorrel, op het tweede 2, op het derde 4, enzovoorts.

Schuddebuikend om zoveel  domheid gaf de koning zijn minister van landbouw opdracht aan deze  ogenschijnlijk bescheiden wens te voldoen, maar het lachen verging hem snel  toen bleek dat hem dit geintje 18.446.744.073.709.551.615 korrels ging kosten,  en probeer dat getal maar eens uit te spreken! Moraal van dit verhaal is  natuurlijk geen dingen te beloven die niet kunnen worden waargemaakt. Of Sissa  echt heeft bestaan blijft natuurlijk gissen, maar een mooi verhaal blijft het!

Ook de naam ‘Caissa’ valt drie keer. Behalve onze vrienden uit oud-Zuid  (die inmiddels rond de 200 leden tellen!) zijn er clubs van die naam in  Hoorn en Elburg. Caissa was een boomnimf uit een gelijknamig gedicht van Sir  William Jones (1746-1794), die zijn werk losjes baseerde op het gedicht  Scacchia Ludus (‘het schaakspel’) van de late Middeleeuwer Marco Girolamo Vida.  In het gedicht van Jones wordt Caissa benaderd door de oorlogsgod Mars (we  zitten in de Romeinse mythologie), die haar een oneerbaar voorstel doet. “Aan  mijn lijf geen polonaise” denkt ze, en zoekt dekking in het dichtstbijzijnde  blijf-van-mijn-lijf-huis, maar Mars laat het er niet bij zitten en roept de  hulp in van Euphron, de god van de sport. Hij schept het schaakspel om Caissa  in liefde voor Mars te doen ontbranden, dat lukt, en ze leefden nog lang en  gelukkig.

In Deventer vinden we het reeds in 1849 opgerichte ‘Pallas’. Of die is  genoemd naar de Griekse godin Pallas Athena wordt uit de website niet helemaal  duidelijk, ligt echter wel voor de hand. Het clubblad van Pallas heet immers  Palladium, de­zelfde naam als het fameuze beeld van Pallas Athena dat, in Troje  opgesteld, de stad onneembaar maakte. Eenmaal geroofd door Odysseus en  Diomedes was het lot van de stad snel bezegeld. Pallas Athene was één van de  belangrijkste godinnen op de Olympus en had een aantal functies. Zij was de  godin van de wijsheid en de kunst en tevens was ze verant­woordelijk voor de  reine en zuivere bovenlucht. Daarnaast wordt ze vaak genoemd als godin van zowel  de krijgskunst als de vrede, wat op z’n zachtst gezegd toch een wat tweesnijdende  combinatie is …..

Het verhaal van de geboorte van Pallas Athene is even spectaculair als  bizar. Vadertje Zeus had na de geslachtsdaad de moeder Metis verslonden omdat  hij vreesde dat zij hem een zoon zou baren die hem de wereldheerschappij zou  ont­nemen. Negen maanden later bleek het zaad niet op de rotsen te zijn  gevallen, want zijn hoofd spleet open en wie sprong eruit (in volle  wapenuitrusting, met opgeheven lans en onder het aanheffen van een krijgslied, sic!): Pallas Athene! Hoe verzin je  het!! Pallas Athena is overigens gelieerd aan de Romeinse godin Minerva, die  haar naam waarschijnlijk ontleend aan de bij de Etrusken bekende godin Menrva.  De jeugdschaakvereniging ‘Minerva’, die al vele talenten heeft voortge­bracht,  resideert in Hengelo.

De naam ‘Pegasus’ vinden we  terug in de gelijknamige schaakvereniging te Zwolle, maar ook in Amstelveen,  waar we al jaren KLM/Pegasus kennen. De naam Pegasus in associatie met de  luchtvaartmaatschappij is goed gekozen, want Pegasos (uit het Oud-Grieks, later verlatinaliseerd in Pegasus) was een ge­vleugeld paard dat volgens de legende ontstond uit een romance tussen de gorgo Medusa en de zeegod Poseidon. Kwestie  van smaak zullen we maar zeggen …. Medusa was spuuglelijk (er groeiden slangen  uit haar hoofd, waar een normaal mens haren heeft, yuk!), maar misschien was Poseidon ook bepaald niet moeder’s mooiste,  wie zal het zeggen …..Hoe dan ook, Pegasus kwam ter wereld uit Medu­sa’s bloed  toen de held Perseus haar een kopje kleiner maakte. Perseus vloog een tijdje op  het beest en samen beleefden ze vele avonturen. Later werd Pegasus gevangen  door Bellerophon, die zijn diensten goed kon gebruiken in veldtochten tegen de  Chimaira (een vuurspuwend monster met de kop van een leeuw, het lichaam van een  geit en de staart van een slang, jawel!) en de immer militante Amazones.

Ook de ‘s.v. Prometheus’ uit Delft is genoemd naar een figuur uit de  Griekse mythologie. De titaan Prometheus (letterlijk: ‘de  vooruitdenkende’, eigenlijk een soort schaker dus) stal het vuur van de Olympus  en schonk het de mensheid. Die waren er blij mee, maar de goden zagen er de humor  niet van in. Als straf voor zijn ‘misdaad’ viel de arme Prometheus de nemesis (‘wrekende gerechtigheid’) ten  deel. Hij werd aan een berg in de Kaukasus opgehangen, waar de adelaar Ethon  elke dag zijn lever kwam uitpikken. Die groeide ’s nachts weer aan, de volgende  dag kwam Ethon weer aanvliegen om een verse versnapering op te halen en zo ging  het maar door. Eigenlijk was het de bedoeling dat de nemesis eeuwig zou duren, maar de stoere held Herakles bevrijdde hem tijdens een van zijn werken.

De Leidse schaakvereniging ‘Palamedes’ bestaat al heel lang niet meer, maar  noem ik toch even omdat er een mooi verhaal achter zit. Volgens de Griekse  mythologie was Palamedes, één van de Grieken die aan de strijd tegen Troje  deelnam, de uitvinder van het schaakspel. Die oorlog duurde liefst 10 jaar, en  de Grieken hingen vaak als hangjongeren avant  la lettre verveeld rond in hun tentenkamp. Om de lamlendigheid te  doorbreken zou Palamedes het schaakspel hebben be­dacht, het (houten) paard  bracht Odysseus op een idee en de gevolgen zijn bekend. De Franse meester Louis  de la Bour­donnais publiceerde in 1834 het eerste schaaktijdschrift ter wereld  en noemde het, naar Palamedes, Le  Palamede.

Verenigingen die zijn genoemd naar de  oorsprong van het schaakspel

Zoals algemeen bekend liggen de wortels van het schaakspel in het oude  India, waar het spel op z’n Sanskriets ‘tsjatoe­ranga’ werd genoemd, hetgeen  letterlijk ‘vier delen’ betekent (tsjatoer = vier, anga = delen), naar analogie  met het In­dische leger, dat eveneens uit vier delen bestond: patti (voetvolk), ashwa (ruiterij), dwipa (olifanten) en ratha (strijd­wagens).  Dit gegeven inspireerde de oprichters van de schaakvereniging ‘Chaturanga’ uit  Amsterdam Zuidoost toen er een naam werd gezocht en gevonden.

In Rotterdam vinden we ‘s.v. Ashtapada’. Boze tongen beweren dat deze  vereniging is genoemd naar ene heer Van As, die zichzelf onsterfelijk zou  hebben willen maken toen hij tijdens de oprichtingsvergadering met deze naam op  de proppen kwam. Mooi verhaal, maar erg waarschijnlijk is het toch niet, want  Ashtapada (letterlijk: achtbenig; de term werd ook gebruikt voor een spin maar  wij schakers denken bij het getal acht natuurlijk meteen aan het schaakbord)  was een oud-Indisch bordspel, dat werd gespeeld met dobbelstenen. Het zou de  voorloper zijn van het chaturanga.

Verenigingen met Latijnse namen

Komt maar sporadisch voor, maar de schoonheid van de namen maakt veel goed.  We beginnen in Heemskerk, waar we al wandelend door de binnenstad de H.S.V. ‘Excelsior’  vinden. Het woord ‘excelsior’ is natuurlijk volkomen ingeburgerd in de  Nederlandse taal, al was het alleen maar vanwege de voetbalclub uit Rotterdam,  maar oorspronkelijk komt het uit het Latijn, waar het de vergrotende trap is  van excelsus (‘hoog’).

Het Haagse ‘Discendo Discimus’ (DD in de wandelgangen) dateert van 29  december 1852 en is daarmee één van de oud­ste nog bestaande verenigingen van  ons land. De Latijnse naam laat zich vertalen als ‘Al lerende leren wij’. Het  chique DD speelt in het Nationaal Schaakgebouw, een groot herenhuis met diverse  schaakzalen, ooit bij legaat aan de club nagelaten door haar oud-voorzitter,  Alexander Rueb. Wereldkampioenen als Lasker en Euwe hebben hier gespeeld, en  vanaf de op­richting in 1924 tot 1944 was het hoofdkantoor van de FIDE er  gevestigd. De interne competitie wordt gespeeld op de dinsdag- en de donderdagavond,  en de echte die hards kunnen er ook  nog eens op de zaterdagmiddag terecht!

Prachtig vind ik ook de namen van de verenigingen ‘S.V. Utile Dulci’  (‘Nuttig en aangenaam’) uit Roelofarendsveen, ‘Inter Nos’ (‘Onder ons’) uit  Boskoop en ‘Regina Pacis’ (‘Vrede overwint’) uit Honselersdijk, terwijl ‘S.V.  Ultimo Vero’ uit het Limburgse Echt de ultieme waarheid in pacht meent te  hebben. ‘Echt’ waar ….

Woordspelingen

De naam van ‘S.V. Sjaak Mat’ uit het Limburgse Bunde vind ik persoonlijk  erg leuk gekozen. Deze vereniging werd in 1977 opgericht als ‘EVDEZ’, wat staat  voor het wel erg kneuterige ‘Een Verzetje Door Een Zetje’. Aanvankelijk werd er  ook gedamd, nu alleen nog maar geschaakt. Ook over de naam ‘Doredenkers’ is  nagedacht (of doorgedacht zo u wil), vooral als u weet dat ze in Wijk bij  Duurstede spelen, dat van de 7e tot het midden van de 9e  eeuw bekend stond als Dorestad. De Vikingen kwamen er weleens gezellig  plunderen …..

Overige

Van de verenigingen die een goede raad in de naam hebben verpakt komt ‘Kijk  Uit’ liefst driemaal voor, in respectievelijk Balkbrug, Oudewater en IJmuiden,  maar dat is nog niets vergeleken bij de Schaakvereniging ‘Denk en Zet’, die  zelfs vier­maal voorkomt. U vindt ze in Hattem, Vinkeveen, Scherpenisse en het  Friese Twijzelerheide, waar de vereniging beter be­kend staat onder haar Friese  naam: ‘Tinke en Sette’!

In deze categorie past ook het Nijmegense ‘Strijdt Met Beleid’, wat  natuurlijk altijd raadzaam is. ‘KTV’ uit Enkhuizen daarentegen verwijst meer  naar een deugd, want die letters staan voor ‘Kan Tegen Verlies’. Willem  Hensbergen en Johan Lubbers hebben er ooit gespeeld, waarmee de vraag hoe het  toch komt dat die twee zo deksels goed tegen hun verlies kunnen ook meteen is  beantwoord…. Daar schiet me plotseling een uitspraak van Godfried Bomans te  binnen, die eens zei “Ik kan best tegen mijn verlies, maar nog beter kan ik  tegen mijn winst!”.

Dan moet ik ook nog de verenigingen ‘D4’ (Oosterhout) en ‘VSM’ (Maastricht)  noemen, niet vanwege de naam maar om­dat ze een eigen clublied hebben! Dat van  D45 gaat als volgt (op de wijze van kerst-evergreen Jingle Bells):

                                                                                                                                                                                                                                              
Eerste coupletRefreinTweede couplet
D4  heeft lang gewacht Hup D4, hup D4D4 blijf je steeds trouw
De  vier die werden acht Clubje van plezierJe lust ze toch nog rauw!
In  crisistijd en oorlogstijd We nemen een scheutHeb veel plezier bij bord en bier
Bijna  om zeep gebracht En we hebben leutTe oud ben je niet gauw!
D4, je stond weer opEn daarom zijn we hierD4, zie ze daar staan,
Je kwam weer uit het slop De jeugd, die komt er aan
Met vuur en pit kwam lid na lid Ze trainen flink, dat wordt dus link
Op weg nu naar de top Ze gaan ons nog verslaan!

Het clublied van VSM is voor niet-Limburgers praktisch onleesbaar, maar na  een korte inburgeringscursus en wat fantasie is er toch wel uit te komen. Op  de melodie van het mij niet bekende ‘Wij zijn de mannekes van plezier’ speelt  het Johann Strauss Orkest onder leiding van André Rieu voor u als volgt:

                                                                                                                                                
Eerste coupletTweede couplet
Veer zien de sjakers vaan Vee Es EmVeer zien de zoepers vaan Vee Es Em
Wèlt geer gere sjakeEs veer te väöl zoepe
Laot uuch lid daan makeMote veer gaon kroepe
Veer zien de sjakers vaan plezeerVeer zien de sjakers vaan Mestreech
Geven ‘m vaan leerPakke nog get beer
Met e pötsje beerMet väöl plezeer

Wie weet dat we ooit nog eens met onze sjaakvrienden uit Mestreech een  pötsje beer kunnen zoepe!

Hoe de vereniging ‘SC Knudde 78’ uit Leeuwarden aan haar naam is gekomen is  de leden zelf ook niet helemaal duide­lijk omdat er tijdens de  oprichtingsvergadering in mei 1978 nogal wat werd geofferd, niet op het  schaakbord maar aan Bachus. Meest waarschijnlijk is dat één van de oprichters  de naam Knudde opperde omdat het toch altijd een zooitje ongeregeld was, en dat  iemand anders dat wat kaal vond en voorstelde het oprichtingsjaar eraan toe te  voegen. Hmm ….

Ten slotte

Ter afsluiting, toen ik op de website van ‘Schaakklub Souburg’ zag dat ze  hun naam hardnekkig verkeerd spellen (immers, ‘klub’ moet natuurlijk gewoon  ‘club’ zijn, zoals de eerste de beste allochtoon kan bevestigen) moest ik even  denken aan onze eigen taalverkrachter, Willem Hensbergen. Het zal hem genoegen  doen dat hij niet alleen staat in zijn dubieuze opvattingen over de  schrijfwijze van de Nederlandse taal, al had hij er zelf ongetwijfeld in een  handomdraai ‘klup’ van gemaakt...

Nomenclatuur, door Dirk Goes in Tal Nieuws nr. 344, d.d. 23 november 2009, het clubblad van schaakvereniging Tal/DCG te Amsterdam.

Voetnoten

  1. Een van zijn uitspraken  was de volgende: “Het is niet voldoende de schuldigen te fusileren, pas als je  een paar onschuldigen liquideert zijn de mensen onder  de indruk!”.
  2. Tal zei eens: “There are two kinds of sacrifices: sound ones, and  mine”.
  3. 1. d4 d5; 2. c4 c6; 3. Pc3 e6; 4. Pf3 dxc4; 5. a4 Lb4; 6. e3 b5; 7. Ld2 a5; 8. axb5 Lxc3; 9. Lxc3 cxb5; 10. b3 Lb7; 11. bxc4 b4.
  4. Met ingang van het  seizoen 2009/2010 komt ook ene Kortsjnoi het team versterken ….    
  5. Bijzonder: het  talententeam van D4 wordt gesponsord door de firma Nuvema, voor al uw  uitvaarten ….
D-team in Meesterklasse
Mercator
Mercator 1
mercator 2
Mercator 3
Mercator 4
Mercator 5
jeugdspelers in de seniorencompetitie
uitslagen interne competitie
ranglijst interne competitie 2009/2010
uitslagen Wildevaart
stand Wildevaart
Tal/DCG Open Jeugdtoernooi 2010
Persoonlijk Kampioenschap Amsterdam
Grand Prix
Promotietoernooi
Schoolschaken
Nederlandse Jeugdkampioenschappen
Onze jeugd boert goed.
De jeugdafdeling
Nieuws
Kalender seizoen 2009/2010
Intern »
Extern »
Toernooien »
Ratings
Websites
Login
Logout
Wachtwoord wijzigen
Wachtwoord vergeten?
Tal/DCG 1
Tal/DCG 2
Tal/DCG 3
Tal/DCG 4
Tal/DCG 5
KNSB-beker
SGA-beker
SGA-rapidcompetitie
Clubcompetitie
Kroongroep
Kroonprinsgroep
Kroonprinsesgroep
Jan Koens Cup
Partijen van leden
Nomenclatuur
Nieuws
Kalender
Intern »
Extern »
Clubblad
Schaaktafel »
KNSB-ratings
Websites
Bestuur en functionarissen
Adres en routebeschrijving
Ledenlijst
Aanmeldingsformulier
Lidmaatschap en contributie
Onkosten declareren
Contact