![]() |
![]() |
Nieuws03-09-2010ALGEMENE LEDENVERGADERING 03-09-2010Zomerschaak alweer afgelopen 16-08-2010Nieuwe ratings bekend 16-08-2010Clubgenoten succesvol in diverse zomertoernooien 09-08-2010Tjark Vos actief op open NK jeugd © Club Webware. |
U bent hier: Home Senioren Schaaktafel Nomenclatuur Naamgeving van schaakverenigingen in Nederland– door Dirk Goes – Al surfend door de website van de KNSB raak ik telkens weer gefascineerd door het lijstje namen van schaakverenigingen waaruit de KNSB bestaat. Wat mij vooral interesseert is de vraag hoe een schaakvereniging aan zijn naam komt, en, nog boeiender natuurlijk, of daar een mooi verhaal achter schuil gaat. De KNSB bestaat uit 534 reguliere verenigingen, verdeeld over 13 regionale bonden, in de volksmond ook wel ‘onderbonden’ genoemd. Onderverdeeld als volgt, met als vergelijkende cijfers een inventarisatie die ik vier jaar geleden al eens uitvoerde:
Grosso modo kunnen de namen van de huidige verenigingen als volgt worden ingedeeld:
Verenigingen die zijn genoemd naar de plaats van vestigingBij het nalezen van deze namen krijg je sterk de indruk dat de oprichters het zich op dit gebied niet al te moeilijk hebben gemaakt. Het vernoemen van je schaakclub naar de plaats van vestiging is natuurlijk volstrekt fantasieloos, maar wel zo gemakkelijk. Om er dan toch nog wat van te maken wordt de clubnaam vaak nog wel voorafgegaan door de letters SC (‘Schaakclub’), SV (‘Schaakvereniging’) of SG (‘Schaak Genootschap’), zoals daar zijn ‘SC Heerenveen’ uit, inderdaad, ‘S.V. Almelo’ uit, u raadt het al, en ‘SG Amersfoort’ uit, ik bedoel maar …. Tevens zult u begrijpen dat ik warme gevoelens koester voor de ‘S.V. Goes’ uit Goes …. In totaal zijn maar liefst 198 verenigingen (37%) genoemd naar de plaats van vestiging. Verenigingen die zijn genoemd naar een persoonHet zal niemand verbazen dat de meeste verenigingen in deze categorie zijn vernoemd naar een schaker. Zo zijn er liefst drie Laskers (uit respectievelijk Sint Jacobiparochie, Utrecht en Uitgeest). ![]() Emanuel Lasker (niet te verwarren met zijn verre familielid Edward Lasker, die eveneens een sterk schaker was) werd geboren op 24 december 1868 in het Pruisische Berlinchen. Reeds op 11-jarige leeftijd werd hij door zijn vader naar Berlijn gestuurd om wiskunde en filosofie te studeren. In match- en toernooischaak was hij uitermate succesvol. In het toernooi van New York 1893 won hij al zijn 13 partijen! In 1894 versloeg hij de regerend wereldkampioen, Wilhelm Steinitz, in een match om het wereldkampioenschap. Daarna verdedigde hij zijn wereldtitel succesvol in matches tegen Marshall, Tarrasch, Janowski en Schlechter, om hem pas in 1921 definitief kwijt te raken aan Capablanca. Tot een match om het wereldkampioenschap kwam het daarna niet meer, maar Lasker bleef actief in het toernooischaak waar hij ondanks zijn gevorderde leeftijd nog goede resultaten behaalde, zoals daar zijn een eerste plaats in New York 1924 en een tweede plaats in Moskou 1925. Opgejaagd door de nazi’s vluchtte hij in 1933 totaal berooid uit Duitsland. Hij woonde kortstondig in Engeland en verhuisde in 1935 naar Moskou op uitnodiging van de beruchte Nikolai Krilenko, die, in zijn hoedanigheid als openbaar aanklager in talloze showprocessen ter meerdere eer en glorie van de communistische heilstaat, behalve een zeer slecht mens1 ook een verwoed schaker was. Lasker bekleedde een paar jaar lang de positie van trainer van het nationale team van de Sovjet-Unie, maar toen beschermheer Krilenko zelf in 1937 door Stalin werd weggezuiverd moest er opnieuw worden gevlucht, ditmaal voor het laatst. Op 11 januari 1941 stierf Lasker in New York, na de laatste jaren van zijn leven in de Verenigde Staten te hebben doorgebracht. Naar Max Euwe zijn schaakverenigingen genoemd in Enschede en in Hoensbroek. De volwassenen hoef ik niet uit te leggen wie Max Euwe was, maar wellicht dat een paar jeugdspelers zich nu zitten af te vragen: “Max wie?”. Welnu, Machgielis (roepnaam: Max) Euwe (1901-1981) werd in 1935 de eerste, en tot nog toe enige, Nederlandse wereldkampioen schaken door een match met Alexander Aljechin met 15½-14½ te winnen. Gespeeld werd in verschillende Nederlandse steden zodat de match wel iets weghad van een rondreizend circus, maar het enthousiasme bij het publiek was er niet minder om. De laatste partij, gespeeld in Bellevue te Amsterdam, werd bijgewoond door 2000 toeschouwers, die in drie zalen als haringen in een ton opeengepakt zaten! Na Euwes overwinning brak de schaakgekte pas goed uit in Nederland en de verenigingen schoten als paddestoelen uit de grond. In de revanchematch twee jaar later won Aljechin overigens met 15½-9½ en was Euwe zijn wereldtitel alweer kwijt.
Euwe (rechts) en Aljechin in actie tijdens de match van 1935 Opvallend aan Euwe was dat hij heel lang amateur is gebleven. In november 1923 behaalde hij zijn doctoraal in de wiskunde en in 1926 promoveerde hij cum laude in de wis- en natuurkunde op een proefschrift met de indrukwekkende titel ‘Differentiaalvarianten van twee covariante-vectorvelden met vier veranderlijken’, en ga daar maar eens aan staan! Lange tijd was hij wiskundeleraar, eerst in Rotterdam en daarna in Amsterdam. In 1947 werd hij profschaker in dienst van de KNSB. In die hoedanigheid reisde hij de wereld af om een onafzienbare reeks simultaansceances af te werken. In 1950 wijdde hij zich weer aan de wiskunde, waarbij in het bijzonder de opkomende informatica zijn interesse had. Van 1970 tot 1980 was hij president van de FIDE, waarbij hij onder andere een cruciale rol speelde in het doorgaan in 1972 van de match Fischer-Spasski. Op 26 november 1981 werd een hartaanval hem fataal. Het is beslist niet overdreven te stellen dat Max Euwe uitzonderlijk veel heeft betekend voor het Nederlandse schaakleven. In Leeuwarden en Leiden zijn er clubs genoemd naar François-André Danican Philidor, die leefde van 1726 tot 1795. Philidor was de sterkste schaker van zijn tijd. Behalve schaker was hij ook componist, en bepaald niet onverdienstelijk. Zijn eerste werk componeerde hij reeds op elfjarige leeftijd. Hij kwam als page aan het hof van Versailles, waar hij leerde schaken van Legall de Kermeur, de sterkste Franse schaker van dat moment. In een tijdsbestek van drie jaar was hij hem de baas. In 1744 speelde Philidor twee blindpartijen in Parijs, destijds nog nooit vertoond. In 1747 ging hij naar Londen waar hij de beste Britse schaker, Phillip Stamma, met dikke cijfers versloeg. Een jaar later schreef hij Analyse du jeu des Échecs,zijn opus magnum. In dat boek staat ook zijn beroemde uitspraak “Les pions sont l’ame du jeu” (“pionnen zijn de ziel van het schaakspel”), waarmee hij aantoonde de eerste te zijn die de waarde van de pion inzag. Tevens behandelde hij in zijn boek de opening 1. e4 e5; 2. Pf3 d6, wat sindsdien bekend stond als de Philidor-verdediging. Hij stierf in Londen op 31 augustus 1795. In een necrologie schreef een Londense krant: “On Monday last, Mr. Philidor, the celebrated chess player, made his last move, into the other world”. Hij werd begraven in St. James Cathedral te Londen. Ook zijn er twee verenigingen genoemd naar de Brit Howard Staunton, één in Groningen en één in Etten-Leur. Van deze twee is die in Groningen verreweg het oudst: opgericht in 1871 vierde zij dit jaar haar 138-jarig jubileum. Het internationaal toernooi van 1946 in Groningen, dat de vereniging organiseerde ter gelegenheid van haar 75-jarig bestaan, geldt nog steeds als een klassieker, temeer omdat organisatie van een dergelijk evenement zo vlak na de oorlog verre van eenvoudig was. Het toernooi werd gewonnen door Botwinnik met 14½ uit 19, voor Euwe met 14 en Smislov met 12½ punt. Howard Staunton werd geboren in 1810 te Westmoreland, Engeland. In 1841 werd hij uitgever van ‘The Chess Player’s Chronicle’, het eerste Britse schaakmagazine. In 1843 won hij een match van Pierre de Saint-Amant, en vanaf dat moment maakte hij deel uit van de internationale schaakelite. Van 1845 tot zijn dood in 1874 had hij een column in de ‘Illustrated London News’. De duizendpoot Staunton was echter meer dan alleen schaker, hij was ook nog eens uitgever, journalist en schaakpromotor. In zijn column van 8 september 1849 maakte hij reclame voor een nieuw design van de schaakstukken die we ook nu nog kennen onder zijn naam, echter niet ontwikkeld door hemzelf maar door Nathaniel Cook. Ook was hij de drijvende kracht achter de organisatie van het eerste internationale schaaktoernooi (Londen 1851), met deelname van de destijds 16 beste schakers ter wereld. Het prijzengeld van £ 500 lijkt in onze moderne ogen wellicht wat schamel, maar voor die tijd was het werkelijk ongehoord. Naar huidige maatstaven komt het overeen met een slordige £ 400.000! Michail Nechemevitsj Tal was trouwens zijn Russische naam. Tal was afkomstig uit Letland, waar zijn naam werd uitgesproken als Mihails Tals. Hij leerde het spel op 7-jarige leeftijd maar het duurde vrij lang voor hij resultaten begon te boeken. In 1949 werd Alexander Koblentz zijn trainer, en daarna ging het hard. Zijn eerste grote resultaat was het kampioenschap van Letland in 1953. Vier jaar later won hij voor het eerst het Kampioenschap van de Sovjet-Unie, waarna de FIDE hem tot grootmeester benoemde. In 1960 speelde hij in Moskou een match om de wereldtitel tegen Botwinnik, die hij met 12½-8½ won. Na verlies van de revanchematch in 1961 deed hij nog verschillende pogingen om de wereldtitel te heroveren, maar mede door zijn slechte gezondheid kwam hij nooit door de slopende kandidatenmatches die de uitdager van de wereldkampioen moesten opleveren. Wel bleef hij vele toernooien spelen, en winnen. Van juli 1972 tot april 1973 speelde hij 86 partijen zonder ook maar één partij te verliezen (+47 =39) en een tijdje later scherpte hij dat record aan tot 95 partijen (+46 =49). In de diverse Schaakolympiades speelde hij in totaal 101 partijen waaruit hij 82 punten scoorde. Van Tal is bekend dat hij verslaafd was aan het schaakspel. Altijd wilde hij spelen, en het maakte hem niet uit tegen wie, al was het de ober van het restaurant of de taxichauffeur. Bij het grote publiek was hij beroemd om zijn onwaarschijnlijke offers waaraan hij zijn bijnaam ‘De tovenaar van Riga’ te danken had. Achteraf bleken die offers vaak incorrect2, maar tijdens de partij waren ze buitengewoon effectief. Zoals gezegd was zijn gezondheid bijzonder matig, en Tal zelf deed als kettingroker en zwaar drinker geen enkele moeite daar verbetering in aan te brengen. Uiteindelijk stierf hij op 28 juni 1992 toen zijn enig overgebleven nier het begaf (de andere was al in 1969 verwijderd).
Tal’s grafsteen op het kerkhof van Riga. Let op de hem zo kenmerkende sigaret in zijn mond! Bent u toevallig in Den Helder, loop dan eens langs bij ‘M.S.C.’, wat staat voor ‘Morphy Schaakmat Combinatie’. Paul Morphy (New Orleans, 22 juni 1837) was al in zijn jeugd een enorm talent. Niemand had hem leren schaken, maar toen hij op zesjarige leeftijd getuige was van een partij tussen zijn vader en zijn oom, die in remise was geëindigd, verraste young Paul zijn stomverbaasde familieleden door te zeggen dat zijn oom had kunnen winnen. Vervolgens zette hij de bewuste stelling op en bewees zijn gelijk. Een jaar later speelde hij tegen generaal Winfield Scot, die zichzelf als een sterk schaker beschouwde. Morphy versloeg hem tot tweemaal toe. In de tweede partij kondigde hij reeds na zes zetten geforceerd mat aan! Hier eindigde waarschijnlijk de schaakcarrière van generaal Scot waar die van Morphy nog goed en wel van de grond moest komen. Hij was 12 toen de Hongaarse meester Löwenthal de stad bezocht en natuurlijk moest er worden geschaakt: 3-0 voor Morphy. Hierna richtte hij zich op zijn studie rechten, die hij in 1857 voltooide. Omdat hij nog te jong was om als advocaat te mogen werken, reisde hij in 1858 naar Engeland waar hij iedereen versloeg, behalve Staunton die hem ontweek. Daarop ging hij naar Parijs, waar het beroemde Café de la Regence zijn hoofdkwartier werd, alles en iedereen verpletterend. Weer terug in Engeland versloeg hij 5 meesters in een simultaan. Hij daagde iedereen uit voor geld tegen hem te spelen met voorgift van een zet en een pion, maar niemand durfde. Daarop stopte Morphy definitief met schaken en reisde terug naar New Orleans, waar zijn pogingen als advocaat aan de slag probeerde te komen faalden, mede door het uitbreken in 1861 van de Amerikaanse Burgeroorlog. De laatste jaren van zijn leven waren tragisch. Zijn geestesgesteldheid leed onder aanvallen van paranoia en waanbeelden, waarbij hij dacht dat men hem wilde vergiftigen en zijn kleren in brand wilde steken. Zijn familie trachtte hem te laten opnemen in een inrichting, hetgeen hij weigerde. Op 10 juli 1884 stierf hij aan een beroerte, waarschijnlijk teweeg gebracht door een (te) koud bad na een lange wandeling in de hete zon. De match Fischer-Spassky zette in 1972 het schaken mondiaal op de kaart. Geen wonder dat er naar beide spelers een club is genoemd. Zo vinden we in het mondaine Wassenaar de ‘SV Bobby Fischer’ en in de SGA hebben we natuurlijk ons eigen ‘Fischer/Z’. Dat gezegd hebbende, is die eigenlijk wel naar Robert J. Fischer genoemd? Fischer/Z was immers ten tijde van de oprichting (1982) ook de naam van een populaire popgroep, maar wij schakers denken bij de naam Fischer natuurlijk meteen aan gekke Bobby. Tijdens de oprichtingsvergadering kreeg de naam Fischer/Z evenveel stemmen als S.P.S.A., wat staat voor de flipperterm Same Player Shoots Again, zodat een spelletje de beslissing moest brengen. Jaren later konden de oprichters zich niet meer herinneren of dat nou een spelletje toepen of een spelletje flipperen was, dus die zullen wel geen cola hebben gedronken …. De Groningse schaakvereniging ‘Spassky’s’ verwijst naar de grote Boris, die in 1969 wereldkampioen werd door Petrosjan met 12½-10½ te kloppen en drie jaar later in de match van de eeuw door Fischer werd verslagen. Spassky leeft nog steeds en woont al jaren in Frankrijk. In Utrecht zetelt ‘s.v. Paul Keres’. Dit was vroeger een studentenvereniging die bekend stond als ‘Utstud’, maar toen de voorwaarde van studentschap werd losgelaten als conditio sine qua non besloot men zich om die reden van de oude naam te ontdoen. Een nieuwe naam moest worden bedacht en de leden pijnigden zich het hoofd. Een prijsvraag leverde behalve veel boertige lol weinig concreets op, zodat op de ledenvergadering van 3 juni 1975 werd besloten een commissie in het leven te roepen die werd opgezadeld met het vinden van een nieuwe naam. Nu wilde het toeval dat de Estse grootmeester Paul Keres twee dagen later overleed, waarop werd besloten de vereniging naar hem te noemen. Paul Keres werd geboren op 7 januari 1916 in Narva, Estland. Zijn eerste grote succes kwam in 1938 toen hij, samen met Reuben Fine, het AVRO-toernooi won. Tijdens de oorlog werd zijn geboorteland Estland tot tweemaal toe bezet, eerst door de Russen en daarna door de nazi’s. Gedurende die periode speelde Keres een paar toernooien in Duitsland en Estland, wat hem in de ogen van de communisten een collaborateur maakte. Aanvankelijk waren de autoriteiten dan ook van plan hem na de oorlog te executeren, maar op voorspraak van Botwinnik bleef hem dat bespaard en werd hij zelfs in genade aangenomen. In zijn glansrijke carrière versloeg Keres 9 wereldkampioenen, waarvan verscheidene meermaals, en werd hij kampioen van de Sovjet-Unie in 1947, 1950 en 1951. In Helsinki, op de terugweg van het door hem gewonnen toernooi van Vancouver, overleed hij op 5 juni 1975 aan een hartaanval. In Estland kreeg hij een staatsbegrafenis, die werd bijgewoond door 100.000 mensen. Nog steeds siert zijn portret het bankbiljet van 5 krooni. Algemeen wordt Keres beschouwd als de sterkste schaker die nooit wereldkampioen is geweest. In de openingstheorie leeft hij voort in de Keres-variant van het Siciliaans (1. e4 c5; 2. Pf3 d6; 3. d4 cxd4; 4. Pxd4 Pf6; 5. Pc3 e6; 6. g4), maar ook andere openingen heeft hij met zijn ideeën verrijkt. Samuel (beter bekend als Salo) Landau werd geboren in het Poolse Bochnia op 1 april 1903. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij met zijn familie naar Wenen en vandaar naar Rotterdam. In 1936 werd hij Nederlands kampioen, waarbij moet worden opgemerkt dat Euwe dat jaar niet meedeed. Maar toch, na Euwe was Landau onbetwist de nummer 2 van Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte hij met zijn joodse achtergrond in het nauw. In september 1942 probeerde hij te vluchten naar Zwitserland, werd echter bij het station van Breda opgepakt en gedeporteerd naar Gräditz (destijds Duitsland, nu Polen) waar hij in 1943 (of 1944, bronnen spreken elkaar tegen) overleed, bizar genoeg op slechts enkele kilometers afstand van de plaats waar hij was geboren. Op 17 juli 1946 werd in het Zeeuwse Axel een schaakclub opgericht die naar hem werd vernoemd. In 1980 was Zoetermeer een snel groeiende stad, en dat schreeuwde natuurlijk om een eigen schaakvereniging. Een jaar later was het zover, en de nieuwgeborene werd, naar de veelvoudig wereldkampioen, ‘Botwinnik’ genoemd. Waarom precies naar hem is onduidelijk. Botwinnik was natuurlijk een zeer sterk schaker, maar in de menselijke omgang stond hij bekend als eigenzinnig, stijfkoppig, achterdochtig en paranoïde. Geen feestnummer om eens gezellig een biertje mee te drinken! Als communistische hardliner was Botwinnik bovendien dikke maatjes met de beruchte Krilenko, de misdadiger die we net ook al even tegenkwamen in het stukje over Lasker, en nadat hij in 1936 het toernooi in Nottingham had gewonnen stuurde hij Stalin een telegram met de mededeling dat hij de overwinning aan hem opdroeg. Kortom, er zijn prettiger mensen denkbaar om je club naar te vernoemen! De jonge Botwinnik was een bijdehand knaapje, dat op z’n negende al literaire werken las van Poesjkin, Gogol en Toergenjev. Hij was twaalf toen hij leerde schaken, en reeds twee jaar later versloeg hij Capablanca, op dat moment regerend wereldkampioen, in een simultaanseance. Botwinnik had een ijzeren discipline en leefde als een asceet, waarbij nicotine en alcohol volstrekt taboe waren. Om zich te harden liet hij zich door Ragosin rook in het gezicht blazen en zette hij de radio hard aan om zichzelf immuun te maken voor storende geluiden. Toen Aljechin in 1946 overleed werd de wereldtitel vacant. Besloten werd een toernooi te organiseren met als deelnemers Botwinnik, Smyslov, Reshevsky, Euwe, Keres en Fine, waarvan de winnaar de nieuwe wereldkampioen zou zijn. Fine zag op het laatste moment af van deelname, zodat er een vijfkamp werd gespeeld, deels in Nederland, deels in de Sovjet Unie. Botwinnik won met 14 uit 20 en was daarmee de zesde wereldkampioen schaken. In de jaren daarop zette hij zijn wereldtitel regelmatig op het spel. Tweemaal verloor hij zijn titel (aan Smyslov en aan Tal) om deze in de revanchematch te heroveren. In 1963 verloor hij van Petrosjan, en ditmaal was hij de titel definitief kwijt omdat de FIDE het destijds traditionele recht op revanche had afgeschaft. Na zijn actieve carrière werd Botwinnik schaakleraar, en niet zonder succes. Taimanov, Joesoepov, Kasparov, Kramnik en Shirov kregen van hem les, bepaald niet de minsten ….. Botwinnik overleed op 5 mei 1995. Een messcherpe variant in het half-Slavisch (1. d4 Pf6; 2. c4 e6; 3. Pf3 d5; 4. Pc3 c6; 5. Lg5 h6; 6. Lh4 dxc4) is naar hem genoemd. De schaakvereniging ‘Messemaker 1847’ uit Gouda vermeldt maar meteen het jaar van oprichting in de verenigingsnaam. Christiaan Messemaker werd geboren op 24 mei 1821, één dag na het huwelijk van zijn ouders. Da’s nog eens gevoel voor timing! Op zijn verjaardag in 1847 richtte hij ‘Vriendentrouw’ op, een vereniging waarvan ook dammers en kaarters deel uitmaakten. In 1860 gingen de schakers verder onder de naam ‘Oefening en Beleid’ en in 1886 kreeg de vereniging haar huidige naam, als eerbetoon aan haar oprichter. Messemaker was tweemaal officieus Nederlands Kampioen. De naam Pomar zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Toch werd in 1946 in Rijswijk een schaakclub vernoemd naar deze Spaanse grootmeester, die op dat moment overigens nog slechts 15 jaar oud was. Arturo Pomar Salamanca werd geboren op 1 september 1931 te Palma de Mallorca en gold als een geducht jeugdtalent. Zijn eerste grote succes kwam in 1942, toen hij op 10-jarige leeftijd kampioen van de Balearen werd. Franco misbruikte hem voor publicitaire doeleinden en lanceerde hem als exponent van het nieuwe Spanje. De grote Alexander Aljechin werd aangetrokken als trainer en in 1946 veroverde hij voor de eerste maal het kampioenschap van Spanje, een kunststukje dat hij nog zesmaal zou herhalen. Vele toernooioverwinningen volgden (US Open 1954 en Madrid 1960 om er een paar te noemen) en halverwege de jaren ’60 stond hij in de top-50 van de wereld. In 1992 speelde hij zijn laatste toernooi. Tegenwoordig slijt hij zijn oude dag in een klein dorpje vlakbij Barcelona, waar hij met zijn vrouw Carmen de post verzorgt. Overigens waren het niet alleen hele sterke schakers die aan een club hun naam schonken, al had Daniël Noteboom dat wellicht best kunnen worden als hij niet zo jong was gestorven. Hij werd geboren op 26 februari 1910 in Noordwijk en gold zo eind jaren ’20 als een groot talent. Zijn grootste succes behaalde hij tijdens de landenwedstrijd van 1930 in Hamburg, waar hij aan het vierde bord een score van 11½ uit 15 behaalde tegen onder andere Flohr, Takacs, Richter en Stolz. Op 12 januari 1932 overleed hij in een Londens ziekenhuis aan de gevolgen van een longontsteking. Te zijner nagedachtenis werd reeds enige jaren later in zijn geboorteplaats de schaakvereniging opgericht die nog steeds zijn naam draagt. Naar Noteboom is een openingsvariant van het Slavisch genoemd3 en nog elk jaar organiseert het Leidse LSG het naar hem genoemde weekendtoernooi. In Rotterdam vinden we de schaakvereniging ‘Onesimus’, die beminde gelovigen uit de bijbel kennen. Onesimus was een weggelopen slaaf die had gestolen van zijn meester Filémon, ontrouw was en daarom op de vlucht was geslagen. Hij kwam bij Paulus terecht, die in Rome, in afwachting van zijn proces, in gevangenschap leefde. Onesimus werd door Paulus bekeerd tot het christendom en door hem gedoopt. Na zijn dood (van Paulus dus) werd Onesimus volgens de overlevering bisschop van Efese en daarna van Kolosse. Rond het jaar 90 na Christus stierf hij in Rome de marteldood, in die dagen een tamelijk gangbare manier om als christen aan je eind te komen. Het Rotterdamse ‘Erasmus’ werd opgericht op 5 september 2005 en kwam voort uit een fusie tussen de schaakverenigingen NRSG Wilhelm Steinitz, Hillegersberg en Schiebroek Westen Regina. Of de goede Desiderius een groot schaker was is mij niet bekend, maar een begenadigd filosoof was hij zeker. Hij wordt tot de humanisten gerekend, wat, anders dan tegenwoordig, niet wil zeggen dat hij religie afwees. Integendeel, hij was wel degelijk religieus (in 1492 werd hij zelfs tot priester gewijd!). Hij stond in principe sympathiek tegenover Luther, maar had als vredelievend en relativerend humanist ook kritiek op hem, zeker toen duidelijk werd dat in Luthers visie geen ruimte was voor menselijke vrijheden. Erasmus pleitte voor tolerantie tussen katholieken en protestanten, maar werd daardoor door beide partijen als ketter beschouwd. De woorden ‘vredelievend’ en ‘relativerend’ doen vermoeden dat er een soort liberaal avant la lettre in hem schuil ging, en dat was ook zo, Erasmus was zijn tijd vele eeuwen vooruit. Neemt niet weg dat hij toch wel een bedenkelijk trekje had: evenals de meesten van zijn tijdgenoten was hij uitgesproken antisemitisch. Zijn oproep tot verdraagzaamheid was dan ook vooral bedoeld voor christenen onderling. Erasmus woonde het grootste deel van zijn leven in Rotterdam, en het is dan ook geen wonder dat de plaatselijke universiteit naar hem is vernoemd. Opmerkelijk was in dat kader een onderzoek uit 2003, waaruit bleek dat maar liefst 65% van de Rotterdammers in hem de architect van de Erasmusbrug zag …. (duh!). In het Groningse Stadskanaal vinden we de vereniging ‘J.H. Kruit’, genoemd naar Jan Hessel Kruit die in 1923 zijn finest hour beleefde. In dat jaar won hij zowel het kampioenschap van de Noordelijke Schaakbond als het kampioenschap van de Nederlandse Schaakbond, die overigens destijds nog niet het predikaat ‘koninklijk’ met zich meedroeg en dus in de volksmond bekend stond als ‘de NSB’ (ai ….). Na de oorlog dus maar snel koninklijk geworden, u begrijpt nu waarom …. We blijven in het noorden des lands. In oktober 1874 werd te Winschoten een schaakvereniging opgericht op initiatief van de plaatselijk geneesheer, Dr. Th. Haakma Treslong. Aanvankelijk had de vereniging geen naam. Tijdens een op 25 september 1875 gehouden ledenvergadering werd echter besloten aan Dr. A. (Antonius) van der Linde, een destijds bekend Nederlandse schaakhistoricus, te verzoeken ermee akkoord te willen gaan dat de club naar hem werd genoemd en tevens het "peterschap" te willen aanvaarden. Voorts werd hem maar meteen het erelidmaatschap van de vereniging aangeboden. De geleerde doctor aanvaardde zowel het peterschap als het erelidmaatschap met grote ingenomenheid en daar, zoals hij zelf in "De Schaakwereld" van 1875 mededeelt, naar oud en goed gebruik een peter niet met lege handen mocht verschijnen, schonk hij de jonge vereniging een 50-tal schaakwerken. Deze Van der Linde was kennelijk geen gemakkelijk heerschap. Uit het Tijdschrift van de Nederlandse Schaakbond, nummer 23, februari-maart 1942, citeer ik het volgende: De figuur van Van der Linde is trouwens een behandeling ten volle waard. Deze persoonlijkheid bergde twee ganschelijk diametrale naturen in zich. Hij was, waar het zijn wetenschappelijke onderzoekingen betrof, objectief; waar het zijn prestaties als schaakspeler en als medeleider van het Nederlandsche schaakleven gold, was hij in hooge mate subjectief; als schaakspeler was hij middelmatig, als schaakpublicist buiten het wetenschappelijke, partijdig: als polemist onverdragelijk en grof. De strijd, die in en rondom zijn schaakblad "De Schaakwereld" werd gevoerd, was uitermate ongeschikt voor het populariseren van het schaak als beschrijvingsfactor. Terzijde, in de periode 1850-1900 was het schaken met name in de noordelijke provincies zeer populair, wat moge blijken uit het grote aantal verenigingen dat gedurende deze periode werd opgericht. 1847 was het geboortejaar van ‘Philidor Leeuwarden’, waarmee ze één van Neerlands oudste verenigingen is (zelf beweren ze zelfs dé oudste, maar onze vrienden van VAS claimen een nog grotere anciënniteit), in 1871 zag het Groningse ‘Staunton’ het levenslicht en in 1874 dus ‘Van der Linde’. In 1898 werd er in Groningen een damesschaakvereniging opgericht, wat zelfs vandaag de dag niet al te gebruikelijk is, laat staan in die tijd …. Na wat googlen kwam ik er achter dat ‘S.D.C. (Schaak- en damclub!) Jurjen Tolsma’ uut Stiens is vernoemd naar een niet onverdienstelijk dammer uit de jaren ’30 van de vorige eeuw. Ook de vereniging ‘Aris de Heer’ uit Middenbeemster is genoemd naar een dammer, die naar verluidt tussen 1835 en 1860 als vrijwel onverslaanbaar bekend stond. Destijds, toen het verzuilde verenigingsleven nog glorieus floreerde, kwam het wel vaker voor dat op een club gelijktijdig werd gedamt en geschaakt. Het multi-disciplinaire karakter van dergelijke verenigingen komt ook nu nog tot uiting in sommige verenigingsnamen, zoals ‘D.S.C. (Dam- en Schaak Club) Glazenburg’ uit Rheden en ‘D.S.V. (Dam- en Schaak Vereniging) Ons Genoegen’ uit Almen. Een melige eend in de bijt is schaakclub ‘De Haarlemse Jopen’; niet, zoals je zou denken, genoemd naar een groep personen met de voornaam Joop, maar naar een lokaal gebrouwen bier. Er zijn nogal wat dingen opmerkelijk aan deze club. Zo heten alle leden vanaf ingang van het lidmaatschap ‘Joop’ (dames: naar keuze ‘Jopie’ of ‘Jopelientje’). Artikel 6 van de statuten bepaalt dat alle actieve Jopen worden benoemd tot voorzitter, zulks ter bevordering van de lengte van de bestuursvergaderingen, maar de statuten bestaan uit nog veel meer aparts. Zo is artikel 1 een gedicht van de vroeg-Middeleeuwse monnik Joperus: Bedreyver van het eed’le scaek, Zooals eens Wigbolt Ripperda, Aardig is ook artikel 5, waar we kunnen lezen dat er zowel minimaal als maximaal twaalf actieve Jopen lid kunnen zijn. Let wel, een aspirant-Joop moet van goeden huize komen want er is een heuse ballotagecommissie! Het lidmaatschap kan desgewenst worden beëindigd, met dien verstande dat de Joop in kwestie zelf een nieuw lid aanbrengt. Misschien een aardig idee voor Tal/DCG, en zo’n ballotagecommissie lijkt me trouwens ook wel wat …. Grappig is nog te vermelden dat de Joop verantwoordelijk voor het innen van de penningen tevens hoofd integratie van islamitische homosuelen is, en dat er ook een bestuurslid is dat zich bezighoudt met de portefeuille automatisering en onmogelijke evenementen …. Momenteel dragen 24 van de 534 schaakverenigingen de naam van een persoon. Verenigingen die zijn genoemd naar schaakstukkenHiervan zijn er 61. Van alle schaakstukken is de stoere toren het meest populair. Komt 20 keer voor, in allerlei vervoegingen. Daarbij moet worden opgemerkt dat veel verenigingen met een toren in de naam niet zijn genoemd naar het schaakstuk maar naar een markant gebouw in de buurt. Zo is ‘Het Dikke Torentje’ (Eemnes) genoemd naar de beroemde kerk op de Wakkerendijk terwijl ‘S.V. Toren van Egmond’ (Egmond aan Zee) slechts is geassocieerd met het plaatselijke kasteel. Ook ‘De Waagtoren’ uit Alkmaar heeft niets met de toren uit het schaakspel te maken maar juist alles met het plaatselijk wereldberoemde waaggebouw, dat dateert uit 1601. ‘De Waagtoren’ is overigens een fusieclub van drie verenigingen: Lange Rochade, ASG en VVV, niet te verwarren met de voetbalclub. De afkorting ‘VVV’ stond overigens voor het prachtig idealistische ‘Van Vijanden Vrienden’ …. Drie verenigingen noemen zich ‘De Toren’, van wie die uit Arnhem het meest bekend is. Er zijn echter ook clubs van die naam in Valkenburg (ZH) en het Brabantse Leende. In Pijnacker zetelt de ‘Schaakvereeniging (let op de oude spelling!) Scheve Toren’ en in Rotterdam hebben ze er eentje van ivoor. Grappig is dat ‘3-Torens’ uit Berkel en ‘De Drie Torens’ uit Tilburg bijna naamgenoten zijn. ‘De Twee Kastelen’ ontstond in 1971 uit een fusie tussen de schaakverenigingen ‘Strijdt Met Beleid’ (Gerkesklooster) en ‘De Pionier’ (Kollum; u weet wel, van de kaas). Bijzonder aan deze vereniging is dat ze het ene kalenderjaar in Gerkesklooster spelen en het andere in Kollum! Ik citeer de website: “Zo is het nadeel van het in de winter over eventuele gladde wegen te moeten rijden eerlijk verdeeld over de beide Kastelen”, en dat is ook wel weer waar …. Het edele paard vinden we 18 keer terug in de verenigingsnaam, waarvan ik ‘S.C. De Hynste Sprong’ uit Sint Nicolaasga de mooiste vind. Nu is mijn kennis van de Friese taal wat aan de basale kant, dus ik wist niet helemaal zeker of mijn vermoeden (dat een hynst een paard is) correct was, maar even googlen nam alle twijfel weg: we hebben het hier daadwerkelijk over de paardensprong. De hynst vinden we ook terug in de Friese versie van de onverwoestbare Sinterklaaskraker ‘Zachtjes gaan de paardevoetjes’: Súntsjes gean de hynstepoatsjes, trippel-trappel, trippel-trap; Mooie taal dat Fries! Maar er zijn meer paardensprongen: ‘S.C. De Paardensprong’ vinden we in Groningen, ‘S.C. Het Springende Paard’ in Aarlanderveen (ik had er ook nog nooit van gehoord maar Google is een trouwe raadgever, blijkt ergens tussen Alphen a.d. Rijn en Nieuwkoop te liggen) en ‘S.V. ’t Springend Peert’ uit Puttershoek. Opvallend is het Apeldoornse ‘S.C. Vrouw en Paard’ (mooie knipoog naar het legendarische radioprogramma Man en Paard), dat op haar website het vermoeden uitspreekt de enige vrouwenschaakclub van Nederland te zijn, en dat zou best weleens waar kunnen zijn …. Verder liefst vijf witte paarden (in Deventer, Haarlem, Zaandijk, Voorhout en Sas van Gent) terwijl de zwarte paarden alleen zijn vertegenwoordigd door ‘S.C. ’t Zwarte Paard’ te Ommen. De kleur zwart komt sowieso weinig voor in verenigingen die naar schaakstukken zijn genoemd, heeft kennelijk toch een wat negatieve connotatie. In Lisse vinden we ‘De Zwarte Pion’, in Sommelsdijk (op Goeree-Overflakkee) ook een, en vooruit, in het Zeeuwse Kruiningen zelfs ‘De Zwarte Dame’, maar dat was het dan ook. Ik vond nog wel ‘S.V. Het Zwarte Water’ uit Zwartsluis, ‘De Zwarte Olifant’ uit Woerden en ‘Het Zwarte Schaap’ uit Tilburg, maar ja, die vallen niet in deze rubriek …. ‘Het Paard van Ree’ uit het schaakmaffe Wijk aan Zee is een bijzondere. Deze vereniging is genoemd naar een moment uit de partij die Hans Ree in 1970 tegen de Fin Heiki Westerinen speelde tijdens het Hoogoventoernooi. Eén van Ree’s paarden werd aangevallen, het belandde op het troosteloze veld a1 en elf zetten later gaf Ree op. Toen enige maanden later een schaakclub werd opgericht herinnerden de initiatiefnemers zich het arme paard op a1 en besloten daarop het beest te vereeuwigen door hun club naar hem te noemen. Naar verluidt was Ree zelf aanvankelijk not amused, zoals zou blijken uit een door hem geschreven artikel in de NRC. Geschrokken besloten de leden hun club dan maar te hernoemen in ‘Schaakgenootschap Het Verdronken Paard’, maar toen voorzitter Dennis Krassenburg tijdens het Corus-toernooi van 2006 een gesprek aanknoopte met de grand maître bleek er van enige wrevel geen sprake te zijn en werd de originele naam weer in ere hersteld, ditmaal met de zegen van Ree (“Jullie doen maar hoor”). In de categorie mooie paardennamen gaan verder eervolle vermeldingen uit naar ‘S.V. Paardekracht’ (Noordwijkerhout), ‘Het Briesend Paard’ (Urk), ‘S.V. Het Houten Paard’ (Brielle) en ‘S.V. ’t Stokpaardje’ (Maasbracht). De pion is qua schaakkracht het meest bescheiden schaakstuk. Neemt niet weg dat het 18 maal voorkomt in verenigingsnamen. Eenvoudigweg ‘De Pion’ komt liefst zes keer voor met vestigingen in Amsterdam, Roosendaal, Harlingen, Groesbeek, Hilversum en Wormerveer. Variaties daarop zijn ‘Stormpionnen’ (Leiden), ‘De Vrijpionnen’ (Voorhout), ‘De Pionnetjes’ (Schiedam) en ‘R.S.C. ’t Pionneke’ (Roermond). Aardig is ook de naamgeving rond ‘S.V. De Zeven Pionnen’ uit Ede, want waarom in Godsnaam zeven pionnen waar acht meer voor de hand zou liggen? Welnu, toen de club op 6 september 1933 werd opgericht ten huize van de heer Zweedijk waren zeven personen present. Toen er gestemd werd over een naam werd besloten dat aantal te doen weerspiegelen in de clubnaam, en zo kwam S.V. De Zeven Pionnen aan haar naam. Teneinde de club van dienst te zijn bood de heer Zweedijk het gebruik van zijn woning aan, alwaar zou worden vergaderd en geschaakt (destijds was het gebruikelijk dat iedere speelavond werd voorafgegaan door een vergadering). De kosten bedroegen 10 cent per persoon per avond en kwamen geheel ten goede aan de heer Zweedijk en zijn vrouw. Zij zorgden dan voor vuur, licht en consumpties in de vorm van 1 of 2 koppen thee of koffie. De heer Van der Lang schonk de club een vijftal op karton geschilderde schaakborden, die bij de overige leden zeer in de smaak vielen. De overige schaakstukken moeten het doen met aanzienlijk minder vermeldingen. Neem nou de loper (of raadsheer zoals men vroeger zei). Onze stadgenoten van ‘De Raadsheer’ kennen we natuurlijk maar al te goed, maar er zijn er nog twee, een in Zundert en een in Elsloo (Limburg). Verder nog ‘De Zandloper’ in Waalwijk, ‘De Strandloper’ in Petten en ook nog ‘De Rode Loper’ in Utrecht. Een paar jaar geleden was er overigens in Utrecht een club die zelfs twee schaakstukken in de naam wist te verwerken: ‘Loper te Paard’! Deze club is wegens gebrek aan leden niet meer onder ons …. Een zwarte dame kwamen we net al even tegen in Kruiningen, maar er is ook een witte in Grubbenvorst terwijl ‘De Willige Dame’ uit Dordrecht meer associaties oproept met een escortbureau dan met een schaakvereniging …… We staan op het internet, dus mochten onze schaakvrienden uit Dordrecht dit ook lezen, bij voorbaat excuus voor dit wel errug flauwe grapje …. De koning ten slotte komt er wel héél bekaaid af: ik vond slechts ‘S.V. Twee Koningen’ in Eindhoven. Verenigingen die zijn genoemd naar schaaktermen
Hiervan zijn er 34. De schaakterm ‘en passant’ gaat in deze categorie aan kop met vermeldingen in Chaam, Den Haag, Bunschoten/Spakenburg en het Texelse Den Burg. Van deze vier timmert de vestiging in Bun schoten/Spakenburg het hardst aan de weg. Vorig sei zoen werd met veel geweld het kampioenschap be haald in de derde klasse A na alle wedstrijden te heb ben gewonnen, maar dat mag dan ook wel met spelers als Manuel Bosboom (vorig seizoen 9 uit 9!), Bruno Carlier, Richard Vedder en Hans Böhm in de gelede ren4. Deze vereniging is om nog een andere reden bij zonder: het is een van de weinige in het land die de beschikking heeft over een eigen clubgebouw, het zeer fraaie Denksportcentrum ‘En Passant’ (zie foto hier naast). Op de tweede plaats eindigt de rochade (of rokade), die door drie clubs in hun naam is verwerkt, in respectievelijk Lichtenvoorde, Nieuwe Pekela, en Tilburg. ‘S.V. De Combinatie’ vinden we in zowel Harderwijk als Asten, ‘Eeuwig Schaak’ in Ridderkerk en Rucphen, ‘De Oppositie’ in Deventer en Heiloo, ‘De Vrijpion’ in Gendt en Boxmeer en ‘S.V. Schaakmat’ in Noord Scharwoude en Naaldwijk. Wat de overige schaaktermen betreft moeten we spreken in enkelvoud. Een paar voorbeelden: ‘S.V. Fianchetto’ (Vaals), ‘S.V. Dubbelschaak ’97’ (Boxtel), ‘De Sleutelzet’ (Arnhem), ‘S.V. Familieschaak’ (Zwolle) en ‘S.V. Triple-Pion’ (Eindhoven). De naam van de schaakvereniging ‘Opening ‘64’ (Sint Pancras) vind ik mooi gekozen omdat ’64 verwijst naar zowel het jaar van oprichting als het aantal velden op het schaakbord. De website van ‘Opening ‘64’ meldt trots dat het in totaal bijna 80 leden heeft, waarvan het leeuwendeel afkomstig is uit de eigen jeugdopleiding (sic!). Daar zal menig schaakvereniging jaloers op zijn! Grappig gekozen ten slotte is de naam van het altijd optimistische ‘S.V. Goede Zetten Zat’ uit Utrecht. Verenigingen die zijn genoemd naar mythologische figurenDe naam ‘Sissa’ komt driemaal voor. De verenigingen van die naam in de Brabantse gemeentes Luyksgestel en Oirschot zijn wat kleinere clubs maar die in Groningen is tamelijk vermaard. Dit is een typische studentenvereniging, die de naam Sissa hebben ontleed als Scaccare Inter Studioses Stimulat Amacitiam, wat grof vertaald zoiets betekent als “studentenschaak bevordert de vriendschap”. Leuk gevonden! De naam Sissa is echter geen afkorting maar afkomstig van een historisch figuur, die we kennen uit het beroemde verhaal van de graankorrels. Volgens de legende was hij brahmaan (een soort priester) aan het hof van de Indiase koning Balhait. Deze royaltyfiguur vond dat zijn onderdanen zich te veel bezighielden met gokspelletjes waar dobbelstenen aan te pas kwamen en gaf opdracht een spel te ontwikkelen waar de geluksfactor van veel minder belang was. Na wat stevig mediteerwerk bedacht Sissa het schaakspel (in Sanskriet: Chaturanga), en de koning was zo enthousiast dat hij Sissa wilde belonen. “Doe een wens, en hou je vooral niet in!” klonk het lichtzinnig, en dat heeft de koning geweten. Sissa wenste op het eerste veld 1 graankorrel, op het tweede 2, op het derde 4, enzovoorts. Schuddebuikend om zoveel domheid gaf de koning zijn minister van landbouw opdracht aan deze ogenschijnlijk bescheiden wens te voldoen, maar het lachen verging hem snel toen bleek dat hem dit geintje 18.446.744.073.709.551.615 korrels ging kosten, en probeer dat getal maar eens uit te spreken! Moraal van dit verhaal is natuurlijk geen dingen te beloven die niet kunnen worden waargemaakt. Of Sissa echt heeft bestaan blijft natuurlijk gissen, maar een mooi verhaal blijft het! Ook de naam ‘Caissa’ valt drie keer. Behalve onze vrienden uit oud-Zuid (die inmiddels rond de 200 leden tellen!) zijn er clubs van die naam in Hoorn en Elburg. Caissa was een boomnimf uit een gelijknamig gedicht van Sir William Jones (1746-1794), die zijn werk losjes baseerde op het gedicht Scacchia Ludus (‘het schaakspel’) van de late Middeleeuwer Marco Girolamo Vida. In het gedicht van Jones wordt Caissa benaderd door de oorlogsgod Mars (we zitten in de Romeinse mythologie), die haar een oneerbaar voorstel doet. “Aan mijn lijf geen polonaise” denkt ze, en zoekt dekking in het dichtstbijzijnde blijf-van-mijn-lijf-huis, maar Mars laat het er niet bij zitten en roept de hulp in van Euphron, de god van de sport. Hij schept het schaakspel om Caissa in liefde voor Mars te doen ontbranden, dat lukt, en ze leefden nog lang en gelukkig. In Deventer vinden we het reeds in 1849 opgerichte ‘Pallas’. Of die is genoemd naar de Griekse godin Pallas Athena wordt uit de website niet helemaal duidelijk, ligt echter wel voor de hand. Het clubblad van Pallas heet immers Palladium, dezelfde naam als het fameuze beeld van Pallas Athena dat, in Troje opgesteld, de stad onneembaar maakte. Eenmaal geroofd door Odysseus en Diomedes was het lot van de stad snel bezegeld. Pallas Athene was één van de belangrijkste godinnen op de Olympus en had een aantal functies. Zij was de godin van de wijsheid en de kunst en tevens was ze verantwoordelijk voor de reine en zuivere bovenlucht. Daarnaast wordt ze vaak genoemd als godin van zowel de krijgskunst als de vrede, wat op z’n zachtst gezegd toch een wat tweesnijdende combinatie is ….. Het verhaal van de geboorte van Pallas Athene is even spectaculair als bizar. Vadertje Zeus had na de geslachtsdaad de moeder Metis verslonden omdat hij vreesde dat zij hem een zoon zou baren die hem de wereldheerschappij zou ontnemen. Negen maanden later bleek het zaad niet op de rotsen te zijn gevallen, want zijn hoofd spleet open en wie sprong eruit (in volle wapenuitrusting, met opgeheven lans en onder het aanheffen van een krijgslied, sic!): Pallas Athene! Hoe verzin je het!! Pallas Athena is overigens gelieerd aan de Romeinse godin Minerva, die haar naam waarschijnlijk ontleend aan de bij de Etrusken bekende godin Menrva. De jeugdschaakvereniging ‘Minerva’, die al vele talenten heeft voortgebracht, resideert in Hengelo. De naam ‘Pegasus’ vinden we terug in de gelijknamige schaakvereniging te Zwolle, maar ook in Amstelveen, waar we al jaren KLM/Pegasus kennen. De naam Pegasus in associatie met de luchtvaartmaatschappij is goed gekozen, want Pegasos (uit het Oud-Grieks, later verlatinaliseerd in Pegasus) was een gevleugeld paard dat volgens de legende ontstond uit een romance tussen de gorgo Medusa en de zeegod Poseidon. Kwestie van smaak zullen we maar zeggen …. Medusa was spuuglelijk (er groeiden slangen uit haar hoofd, waar een normaal mens haren heeft, yuk!), maar misschien was Poseidon ook bepaald niet moeder’s mooiste, wie zal het zeggen …..Hoe dan ook, Pegasus kwam ter wereld uit Medusa’s bloed toen de held Perseus haar een kopje kleiner maakte. Perseus vloog een tijdje op het beest en samen beleefden ze vele avonturen. Later werd Pegasus gevangen door Bellerophon, die zijn diensten goed kon gebruiken in veldtochten tegen de Chimaira (een vuurspuwend monster met de kop van een leeuw, het lichaam van een geit en de staart van een slang, jawel!) en de immer militante Amazones. Ook de ‘s.v. Prometheus’ uit Delft is genoemd naar een figuur uit de Griekse mythologie. De titaan Prometheus (letterlijk: ‘de vooruitdenkende’, eigenlijk een soort schaker dus) stal het vuur van de Olympus en schonk het de mensheid. Die waren er blij mee, maar de goden zagen er de humor niet van in. Als straf voor zijn ‘misdaad’ viel de arme Prometheus de nemesis (‘wrekende gerechtigheid’) ten deel. Hij werd aan een berg in de Kaukasus opgehangen, waar de adelaar Ethon elke dag zijn lever kwam uitpikken. Die groeide ’s nachts weer aan, de volgende dag kwam Ethon weer aanvliegen om een verse versnapering op te halen en zo ging het maar door. Eigenlijk was het de bedoeling dat de nemesis eeuwig zou duren, maar de stoere held Herakles bevrijdde hem tijdens een van zijn werken. De Leidse schaakvereniging ‘Palamedes’ bestaat al heel lang niet meer, maar noem ik toch even omdat er een mooi verhaal achter zit. Volgens de Griekse mythologie was Palamedes, één van de Grieken die aan de strijd tegen Troje deelnam, de uitvinder van het schaakspel. Die oorlog duurde liefst 10 jaar, en de Grieken hingen vaak als hangjongeren avant la lettre verveeld rond in hun tentenkamp. Om de lamlendigheid te doorbreken zou Palamedes het schaakspel hebben bedacht, het (houten) paard bracht Odysseus op een idee en de gevolgen zijn bekend. De Franse meester Louis de la Bourdonnais publiceerde in 1834 het eerste schaaktijdschrift ter wereld en noemde het, naar Palamedes, Le Palamede. Verenigingen die zijn genoemd naar de oorsprong van het schaakspelZoals algemeen bekend liggen de wortels van het schaakspel in het oude India, waar het spel op z’n Sanskriets ‘tsjatoeranga’ werd genoemd, hetgeen letterlijk ‘vier delen’ betekent (tsjatoer = vier, anga = delen), naar analogie met het Indische leger, dat eveneens uit vier delen bestond: patti (voetvolk), ashwa (ruiterij), dwipa (olifanten) en ratha (strijdwagens). Dit gegeven inspireerde de oprichters van de schaakvereniging ‘Chaturanga’ uit Amsterdam Zuidoost toen er een naam werd gezocht en gevonden. In Rotterdam vinden we ‘s.v. Ashtapada’. Boze tongen beweren dat deze vereniging is genoemd naar ene heer Van As, die zichzelf onsterfelijk zou hebben willen maken toen hij tijdens de oprichtingsvergadering met deze naam op de proppen kwam. Mooi verhaal, maar erg waarschijnlijk is het toch niet, want Ashtapada (letterlijk: achtbenig; de term werd ook gebruikt voor een spin maar wij schakers denken bij het getal acht natuurlijk meteen aan het schaakbord) was een oud-Indisch bordspel, dat werd gespeeld met dobbelstenen. Het zou de voorloper zijn van het chaturanga. Verenigingen met Latijnse namenKomt maar sporadisch voor, maar de schoonheid van de namen maakt veel goed. We beginnen in Heemskerk, waar we al wandelend door de binnenstad de H.S.V. ‘Excelsior’ vinden. Het woord ‘excelsior’ is natuurlijk volkomen ingeburgerd in de Nederlandse taal, al was het alleen maar vanwege de voetbalclub uit Rotterdam, maar oorspronkelijk komt het uit het Latijn, waar het de vergrotende trap is van excelsus (‘hoog’). Het Haagse ‘Discendo Discimus’ (DD in de wandelgangen) dateert van 29 december 1852 en is daarmee één van de oudste nog bestaande verenigingen van ons land. De Latijnse naam laat zich vertalen als ‘Al lerende leren wij’. Het chique DD speelt in het Nationaal Schaakgebouw, een groot herenhuis met diverse schaakzalen, ooit bij legaat aan de club nagelaten door haar oud-voorzitter, Alexander Rueb. Wereldkampioenen als Lasker en Euwe hebben hier gespeeld, en vanaf de oprichting in 1924 tot 1944 was het hoofdkantoor van de FIDE er gevestigd. De interne competitie wordt gespeeld op de dinsdag- en de donderdagavond, en de echte die hards kunnen er ook nog eens op de zaterdagmiddag terecht! Prachtig vind ik ook de namen van de verenigingen ‘S.V. Utile Dulci’ (‘Nuttig en aangenaam’) uit Roelofarendsveen, ‘Inter Nos’ (‘Onder ons’) uit Boskoop en ‘Regina Pacis’ (‘Vrede overwint’) uit Honselersdijk, terwijl ‘S.V. Ultimo Vero’ uit het Limburgse Echt de ultieme waarheid in pacht meent te hebben. ‘Echt’ waar …. WoordspelingenDe naam van ‘S.V. Sjaak Mat’ uit het Limburgse Bunde vind ik persoonlijk erg leuk gekozen. Deze vereniging werd in 1977 opgericht als ‘EVDEZ’, wat staat voor het wel erg kneuterige ‘Een Verzetje Door Een Zetje’. Aanvankelijk werd er ook gedamd, nu alleen nog maar geschaakt. Ook over de naam ‘Doredenkers’ is nagedacht (of doorgedacht zo u wil), vooral als u weet dat ze in Wijk bij Duurstede spelen, dat van de 7e tot het midden van de 9e eeuw bekend stond als Dorestad. De Vikingen kwamen er weleens gezellig plunderen ….. OverigeVan de verenigingen die een goede raad in de naam hebben verpakt komt ‘Kijk Uit’ liefst driemaal voor, in respectievelijk Balkbrug, Oudewater en IJmuiden, maar dat is nog niets vergeleken bij de Schaakvereniging ‘Denk en Zet’, die zelfs viermaal voorkomt. U vindt ze in Hattem, Vinkeveen, Scherpenisse en het Friese Twijzelerheide, waar de vereniging beter bekend staat onder haar Friese naam: ‘Tinke en Sette’! In deze categorie past ook het Nijmegense ‘Strijdt Met Beleid’, wat natuurlijk altijd raadzaam is. ‘KTV’ uit Enkhuizen daarentegen verwijst meer naar een deugd, want die letters staan voor ‘Kan Tegen Verlies’. Willem Hensbergen en Johan Lubbers hebben er ooit gespeeld, waarmee de vraag hoe het toch komt dat die twee zo deksels goed tegen hun verlies kunnen ook meteen is beantwoord…. Daar schiet me plotseling een uitspraak van Godfried Bomans te binnen, die eens zei “Ik kan best tegen mijn verlies, maar nog beter kan ik tegen mijn winst!”. Dan moet ik ook nog de verenigingen ‘D4’ (Oosterhout) en ‘VSM’ (Maastricht) noemen, niet vanwege de naam maar omdat ze een eigen clublied hebben! Dat van D45 gaat als volgt (op de wijze van kerst-evergreen Jingle Bells):
Het clublied van VSM is voor niet-Limburgers praktisch onleesbaar, maar na een korte inburgeringscursus en wat fantasie is er toch wel uit te komen. Op de melodie van het mij niet bekende ‘Wij zijn de mannekes van plezier’ speelt het Johann Strauss Orkest onder leiding van André Rieu voor u als volgt:
Wie weet dat we ooit nog eens met onze sjaakvrienden uit Mestreech een pötsje beer kunnen zoepe! Hoe de vereniging ‘SC Knudde 78’ uit Leeuwarden aan haar naam is gekomen is de leden zelf ook niet helemaal duidelijk omdat er tijdens de oprichtingsvergadering in mei 1978 nogal wat werd geofferd, niet op het schaakbord maar aan Bachus. Meest waarschijnlijk is dat één van de oprichters de naam Knudde opperde omdat het toch altijd een zooitje ongeregeld was, en dat iemand anders dat wat kaal vond en voorstelde het oprichtingsjaar eraan toe te voegen. Hmm …. Ten slotteTer afsluiting, toen ik op de website van ‘Schaakklub Souburg’ zag dat ze hun naam hardnekkig verkeerd spellen (immers, ‘klub’ moet natuurlijk gewoon ‘club’ zijn, zoals de eerste de beste allochtoon kan bevestigen) moest ik even denken aan onze eigen taalverkrachter, Willem Hensbergen. Het zal hem genoegen doen dat hij niet alleen staat in zijn dubieuze opvattingen over de schrijfwijze van de Nederlandse taal, al had hij er zelf ongetwijfeld in een handomdraai ‘klup’ van gemaakt... Nomenclatuur, door Dirk Goes in Tal Nieuws nr. 344, d.d. 23 november 2009, het clubblad van schaakvereniging Tal/DCG te Amsterdam. Voetnoten
|
| D-team in Meesterklasse |
| Mercator |
| Mercator 1 |
| mercator 2 |
| Mercator 3 |
| Mercator 4 |
| Mercator 5 |
| jeugdspelers in de seniorencompetitie |
| uitslagen interne competitie |
| ranglijst interne competitie 2009/2010 |
| uitslagen Wildevaart |
| stand Wildevaart |
| Tal/DCG Open Jeugdtoernooi 2010 |
| Persoonlijk Kampioenschap Amsterdam |
| Grand Prix |
| Promotietoernooi |
| Schoolschaken |
| Nederlandse Jeugdkampioenschappen |